BRANDSTOFSUBSIDIE STOPT BINNENKORT

De brandstofsubsidie van de Surinaamse overheid, lijkt zijn langste tijd te hebben gehad. Financiënminister Adelien Wijnerman heeft inmiddels duidelijk gemaakt, dat de regering de brandstofprijs niet onbeperkt kan blijven subsidiëren. Zonder subsidie zou diesel volgens haar, rond SRD 64 per liter en unleaded rond SRD 62 kosten.

De regering wil daarom de subsidie geleidelijk afbouwen. Het is begrijpelijk dat een regering niet eindeloos miljarden aan schaarse middelen kan blijven gebruiken om de pompprijs kunstmatig laag te houden. De huidige price-cap regeling en compensatie drukken zwaar op de overheidsfinanciën. De regering heeft eerder aangegeven, maandelijks ongeveer SRD 300 miljoen aan brandstof te subsidiëren. Een subsidie afbouwen is gemakkelijk op papier. De vraag is, wat er daarna gebeurt met de samenleving. Want brandstof is geen luxeproduct dat alleen automobilisten raakt. Een hogere diesel- en benzineprijs werkt vrijwel onmiddellijk door in transport, openbaar vervoer, landbouw, productie, distributie en uiteindelijk in de prijzen van voedsel en andere basisproducten. De regering zegt daarom terecht dat een eventuele afbouw, geleidelijk moet gebeuren. Maar geleidelijk betekent niet automatisch sociaal verantwoord. Er moet vooraf een duidelijk plan liggen voor de groepen die de grootste klappen zullen opvangen. President Jennifer Simons heeft zelf benadrukt, dat de brandstofsubsidie niet gegarandeerd kan blijven. Tegelijkertijd heeft zij erkend dat hogere brandstofprijzen, de productie- en transportsector zwaar kunnen raken.  Daarom moet de regering één fundamentele vraag beantwoorden: waar gaat het geld dat door het afbouwen van de subsidie vrijkomt, naartoe? Als het antwoord is dat het geld nodig is om de staatsfinanciën gezond te maken, moet de bevolking dat kunnen begrijpen. Maar dan mag tegelijkertijd worden verwacht dat de overheid kritisch kijkt naar haar eigen uitgaven, inefficiënties en andere subsidies. Het kan niet zo zijn dat de gewone burger steeds meer betaalt, terwijl verspilling binnen de overheid onaangeroerd blijft. Een verantwoorde afbouw vereist daarom meer dan een hogere pompprijs. Er moet worden geïnvesteerd in efficiënt openbaar vervoer, gerichte ondersteuning van kwetsbare groepen en maatregelen om de stijgende transportkosten op te vangen. Ook moeten landbouwers en kleine ondernemers niet tussen wal en schip vallen. De brandstofsubsidie kan uiteindelijk inderdaad niet eeuwig blijven bestaan. Maar de manier waarop deze wordt afgebouwd, zal bepalen of de maatregel economisch herstel ondersteunt of de druk op huishoudens verder vergroot. De regering moet daarom niet alleen zeggen dat de subsidie stopt. Zij moet de samenleving ook vertellen, wat ervoor in de plaats komt.

More
articles