De staatsschuld van Suriname kan volgens de meest recente schuldenhoudbaarheidsanalyse (Debt Sustainability Analysis – DSA) in het scenario, waarin vanaf 2028 offshore olie wordt geproduceerd, aanzienlijk dalen. De schuld-bbp-ratio komt in dat scenario uit op 27 procent in 2029, ruim onder het wettelijke schuldenplafond van 60 procent. Zonder de inkomsten uit offshore olie, blijft de schuldenlast op een niveau dat volgens de analyse, niet houdbaar is.
De DSA beoordeelt de ontwikkeling van de overheidsschuld op middellange termijn aan de hand van onder meer de schuld-bbp-ratio, schuldendienst en de bruto financieringsbehoefte. Daarbij wordt gekeken of de overheid in staat blijft haar verplichtingen tijdig na te komen.
Wanneer de verschillende schuldindicatoren gedurende de analyseperiode sterk oplopen, wordt geconcludeerd dat de schuld niet houdbaar is.
Voor de analyse is een model gebruikt dat door financieel adviesbureau Lazard aan het begin van het schuldherstructureringsproces van Suriname werd ontwikkeld. Als input zijn onder meer schuldendienstprojecties, nieuwe leningen, verwachte uitbetalingen en macro-economische en fiscale vooruitzichten meegenomen. Het gaat onder andere om economische groei, inflatie, wisselkoersontwikkelingen, rentevoeten, exportprestaties en fiscale resultaten.
IMF-middelen en nieuwe obligaties meegenomen
Ook het totale bedrag van ruim SDR 430,7 miljoen dat Suriname in het kader van het IMF Extended Fund Facility-programma heeft ontvangen, is in de analyse verwerkt. Een deel van deze middelen werd gebruikt voor versterking van de betalingsbalans, terwijl het resterende deel als begrotings-steun werd ingezet.
Daarnaast houdt het model rekening met de eerste kapitaalinjectie van de Centrale Bank van Suriname en met de afwikkeling van achterstallige betalingen aan leveranciers, de zogenoemde supplier debt, in 2029.
Een belangrijke factor in de berekeningen is de uitgifte van global notes ter waarde van USD 1,575 miljard in het kader van een liability management operation. Deze obligaties kennen rentebetalingen van respectievelijk 7,7 procent en 8,5 procent in de periode 2028-2035, met bullet-aflossingen in 2030 en 2035. Ook een social bond van USD 265 miljoen is in de analyse opgenomen.
Leningen die inmiddels volledig en vervroegd zijn afgelost, zijn buiten beschouwing gelaten. Het gaat onder meer om verplichtingen aan houders van de Eurobond 2033, Industrial and Commercial Bank of China Limited, ABN AMRO Bank en KBC Bank.
Schuldquote naar 27 procent
De DSA kijkt vier jaar vooruit, met 2025 als basisjaar. Daarbij zijn twee scenario’s uitgewerkt: een scenario mét offshore olieproductie vanaf 2028 en een scenario zonder offshore olie.
In 2025 bedraagt de schuld-bbp-ratio 127,8 procent. Volgens de analyse hangt dit mede samen met de uitgifte van nieuwe obligaties ter waarde van USD 1,575 miljard.
In het oliescenario daalt de schuldquote vervolgens geleidelijk. De opbrengsten uit de offshore olieproductie zorgen vanaf 2028 voor een sterke verbetering van het economische en fiscale beeld. In 2029 komt de schuld-bbp-ratio uiteindelijk uit op 27 procent, waarmee deze ruim onder het schuldenplafond van 60 procent ligt.
Zonder offshore olie ziet het beeld er aanzienlijk minder gunstig uit. De hogere economische groei en grotere overheidsinkomsten die in het oliescenario worden verwacht, blijven dan uit, waardoor de schuldindicatoren op veel hogere niveaus blijven.
Financieringsbehoefte sterk lager met olie
Ook de bruto financieringsbehoefte, oftewel de Gross Financing Needs (GFN), laat een groot verschil zien tussen beide scenario’s.
Het IMF hanteert voor landen met toegang tot de internationale kapitaalmarkt een gemiddelde richtwaarde van 9 procent van het bbp, met een maximale grens van 12 procent. In het oliescenario bedraagt de GFN in 2025 nog 15 procent van het bbp, waarmee de maximale grens tijdelijk met 3 procentpunten wordt overschreden.
Vanaf 2026 blijft de financieringsbehoefte echter onder de gemiddelde IMF-richtwaarde van 9 procent. Tegen 2029 daalt de GFN in het oliescenario zelfs naar -0,3 procent van het bbp.
In het scenario zonder offshore olie blijft de GFN in 2029 daarentegen rond 11 procent liggen. Het grote verschil wordt volgens de analyse vooral veroorzaakt door het hogere bbp en de hogere overheidsinkomsten die na de start van de offshore olieproductie worden verwacht.
Schuldenlast beheersbaar
De schuldendienst laat in de periode 2026-2028 een relatief stabiel verloop zien. In het oliescenario is er sprake van een tijdelijke piek, waarna de situatie verbetert. De schuldenlast ten opzichte van de overheidsinkomsten bedraagt in de periode 2026-2029 gemiddeld ongeveer 22 procent. In 2029 ligt de schuldenlast in het oliescenario rond 21 procent van de overheidsinkomsten en 23 procent van de overheidsuitgaven. De aflossingsdruk is volgens de analyse zichtbaar, maar beheersbaar. Wel blijft tijdige fiscale planning noodzakelijk. Het scenario zonder offshore olie kent een veel zwaardere schuldenlast. Zowel ten opzichte van de overheidsinkomsten als de overheidsuitgaven lopen de indicatoren in 2028 op tot ongeveer 46 procent. De analyse kwalificeert dit als een duidelijk signaal dat de schuldenlast zonder offshore olie niet houdbaar is.
Buitenlandse schuldendienst
Ook de betalingen op rente en schuld in vreemde valuta laten het belang van de olieproductie zien. Deze betalingen als percentage van de internationale reserves pieken in 2026 en 2027. In het oliescenario nemen de ratio’s daarna weer af. In het scenario zonder offshore olie blijven de indicatoren stijgen naar volgens de analyse niet-duurzame niveaus.
Voor 2029 wordt in het oliescenario geraamd dat de totale schuldendienst in vreemde valuta ongeveer 12 procent van de internationale reserves bedraagt, terwijl de rentebetalingen in vreemde valuta uitkomen op circa 6 procent.
De DSA maakt daarmee duidelijk dat de verwachte offshore olieproductie vanaf 2028 een fundamentele invloed heeft op de toekomstige houdbaarheid van de Surinaamse staatsschuld. Waar de schuldindicatoren in het oliescenario vanaf 2028 sterk verbeteren, blijft zonder olie sprake van een aanzienlijke financierings- en schuldendienstdruk.
Bron: Schuldenplan 2026, Bureau voor de Staatsschuld, 1 juni 2026.

