De overzeese Surinaamse gemeenschap

Suriname werd 25 november 1975 onafhankelijk van Nederland. De onzekere toekomst van de nieuwe republiek en de sergeantencoup van 25 februari 1980, leidden tot een uittocht van een groot deel van de bevolking. De telefooncoup van 24 december 1990 bracht een kleine opleving van de emigratie teweeg. Veel vertrekkers kozen voor een bestaan in Nederland, weinigen keerden daarna terug naar het moederland. Personen van de tweede of de derde generatie die besloten om van Nederland naar Suriname te emigreren, maakten meestal na enige tijd weer rechtsomkeert. Het is soms jammer dat de herdenking van de onafhankelijkheid aanleiding is om terug te kijken. Er is altijd weer een toespraak van een deskundige die uitlegt wat er fout is gegaan als rechtvaardiging voor het beperkte succes van de jonge republiek. Laat Surinamers binnen en buiten Suriname vooral naar de toekomst kijken.
Het gaat niet goed in Suriname. De financieel-economische en monetaire situatie is desastreus na tien jaar NDP-bewind. De regering Santokhi zoekt naar reddingsboeien voor de fragiele economie. In het verleden was de bauxietwinning de kurk waarop de Surinaamse economie dreef. Thans is dat de winning van olie en goud, hoewel de toekomstige royalty’s voor een groot deel zijn vergeven als zekerheid voor de hoge staatsschuld. De regering kan wel een succesje gebruiken na de maatschappelijke onrust over ‘Melissa-gate’. President Santokhi heeft nog niet de moed bijeengeraapt om haar benoemingen terug te draaien.

Een aantal mensen van Surinaamse afkomst in het buitenland toont zich solidair met Suriname en levert al een bijdrage aan het land. Zij maken geld over naar familieleden of sturen af en toe een doos met spullen die de familie in Suriname zich niet of moeilijk kan veroorloven. Anderen steunen kleinschalige liefdadigheidsprojecten. De Surinaamse regering probeert hen nu te mobiliseren om de Surinaamse economie op gang te helpen. Men duidt mensen van Surinaamse afkomst in het buitenland aan als de Surinaamse diaspora, dat toch vooral de connotatie heeft van de wereldwijde verspreiding om etnisch-religieuze redenen van het Joodse volk. Het woord suggereert bovendien dat er sprake zou zijn van een homogene gemeenschap van mensen die een nauwe band hebben met Suriname en ervan dromen ooit weer naar het moederland te verhuizen. Daar is geen sprake van. Sommigen pretenderen de personen van Surinaamse afkomst te vertegenwoordigen of namens hen te spreken. Het spreekt voor zich dat deze groep mensen niet verenigd is, door niemand kan worden vertegenwoordigd en dat niemand namens de groep kan spreken.

Veel mensen die naar een ander land emigreren, denken daarna nostalgisch terug aan hun moederland. Nederlanders die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw emigreerden naar Australië, Nieuw-Zeeland en Canada, verenigden zich dikwijls in Nederlandse clubs. Daar spraken zij over het land dat zij verlieten, wisselden de laatste nieuwtjes over Holland uit en speelden traditionele Nederlandse kaartspelen. Wanneer zij na lange tijd voor een bezoek terugkeerden naar Nederland, merkten zij tot hun schrik dat het land dat zij hadden verlaten, niet meer bestond. De ontwikkelingen en modernisering hadden na hun vertrek niet stilgestaan. Hun kinderen en kleinkinderen kennen Nederland alleen maar van de verhalen van hun ouders en grootouders en hebben er nauwelijks een band mee. Het is de Surinaamse emigranten niet anders vergaan.
Personen van Surinaamse afkomst in Nederland hebben zich ook dikwijls verenigd, zeker de eerste generatie. De vereniging vond doorgaans plaats langs politieke en etnische lijnen, dat waren in het verleden synoniemen. Tegenwoordig trachten politieke partijen de etnische groeperingen evenredig te vertegenwoordigen, maar in de praktijk is dat slechts ten dele gelukt. Naar goed Surinaams gebruik wordt aan zoveel mogelijk personen een bestuurlijke rol toebedeeld, zodat menig bestuur bestaat uit een voorzitter, een handvol ondervoorzitters, meerdere secretarissen en enkele penningmeesters. Na de introductie van internet zijn met groot enthousiasme websites opgezet om aan de organisaties en de activiteiten brede digitale ruchtbaarheid te geven. Na verloop van tijd blijkt dat de vereniging toch vooral een gezelligheidsvereniging is voor de eerste generatie immigranten.
De website wordt niet goed bijgewerkt. De inhoudelijke activiteiten staan op een laag pitje. De nakomelingen van de eerste generatie immigranten interesseert het weinig. Zij identificeren zich minder met Suriname, hoewel er af en toe een hernieuwde belangstelling over de afkomst ontstaat. Een belangrijk gemeenschappelijk doel is om zo voordelig mogelijk en visumvrij van en naar Suriname te reizen.

Hoe is de Surinaamse gemeenschap in Nederland samengesteld? Het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), beschouwt alleen de eerste en de tweede generatie als personen van Surinaamse afkomst. Zo’n 45% is Hindostaans, 39% creools, 6% Javaans, 3% Chinees, 3% Marron en 4% overig of onbekend. Soms wordt gesteld dat de helft van alle Surinamers in Nederland woont, maar dat is een misvatting. Volgens het CBS wonen er in Nederland circa 350.000 Surinaamse Nederlanders, waarvan ongeveer de helft behoort tot de eerste generatie en ongeveer de helft tot de tweede generatie. Gegevens over de derde en latere generaties worden niet bijgehouden. In Suriname wonen ruim 600.000 mensen.

President Santokhi heeft op 8 oktober jl., de presidentiële commissie Diasporakapitaal en Diasporabank geïnstalleerd. Deze commissie zou diasporakapitaal naar Suriname moeten halen. De commissie, die uit zeven leden bestaat, zal na drie maanden een plan presenteren. Op 18 november jl., werd met enig ceremonieel het Diaspora Instituut Suriname gepresenteerd, waarbij de president zich als eerste op de website mocht inschrijven. Volgens de uitleg op de website zal een accountmanager contact opnemen met iemand die gegevens op de website registreert om zaken nader te bespreken. Het team van het Diaspora Instituut Suriname, belooft partijen te zullen koppelen aan de juiste personen en instanties en er voor te zorgen dat men vlot vooruitgang boekt. Waarmee en waarvoor is nog onduidelijk.

Het is zinvol dat de Surinaamse overheid zich richt op mensen van Surinaamse afkomst in het buitenland wanneer deze een bijdrage – financieel of anderszins – kunnen leveren aan de ontwikkeling van Suriname. Zij zullen zich ervan willen overtuigen dat hun bijdrage goed wordt besteed en daarvoor is vertrouwen onontbeerlijk. Er is veel voorbereidend werk nodig om de overheid efficiënt, slagvaardig en behulpzaam te maken, om de instituten van het land te versterken en om de banken te laten voldoen aan de hoogste standaarden. De overheid zou van Suriname een aantrekkelijk land moeten maken om zaken mee te doen. Wanneer men daarin slaagt, zullen ook anderen belangstelling krijgen voor Suriname, niet alleen buitenlanders van Surinaamse afkomst. Voorafgaande aan de uitwerking van welk plan dan ook, moet in beeld worden gebracht wat de behoefte is van Suriname en hoe hulp uit het buitenland, waaronder mensen van Surinaamse afkomst, hierin kan voorzien. Daarbij moet een brede vertegenwoordiging van ngo’s, bedrijven, instellingen en particulieren worden betrokken.

In zijn toespraak bij de lancering van het Diaspora Instituut Suriname, benadrukte de president dat Suriname zal worden ontwikkeld met 1 miljoen Surinamers. Wat daarbij niet over het hoofd mag worden gezien, is dat dit allemaal verschillende individuen zijn. Niet alle mensen in Suriname zitten te wachten op bemoeienis van personen van Surinaamse afkomst uit Nederland en niet alle overzeese Surinamers zijn betrokken bij de ontwikkelingen in Suriname. Indien vraag en aanbod zorgvuldig bij elkaar worden gebracht en rekening wordt gehouden met de politieke en culturele gevoeligheden, kan er iets moois voortvloeien uit de samenwerking tussen de Surinaamse bevolking en de mensen van Surinaamse afkomst in het buitenland. Wanneer Suriname zich positief ontwikkelt, hoeft het daarbij niet te gaan om gunsten en liefdadigheid, maar om modern zakendoen waar alle betrokkenen baat bij hebben.

Hans Moison

More
articles