November 17, 2019


BOUTERSE, WACHT RUSTIG AF


November 17, 2019

Op 25 oktober vroeg Irvin Kanhai, raadsman van hoofdverdachte Desirö Bouterse, het hof in een verzoekschrift voor beëindiging van de strafzaak zonder enige straf of maatregel. Het hof heeft de vordering van Kanhai afgewezen. Volgens Kanhai zijn er een jaar lang geen processuele handelingen geweest en zijn de verdachten in onzekerheid gelaten. Maar wat de raadsman vergeet, is dat de zaak officieel nog niet is afgesloten en daarom is er ook geen reden om de universele norm om binnen 21 dagen vonnis te wijzen. Kanhai als een advocaat zou moeten weten dat dit het geval is pas wanneer het onderzoek officieel is afgesloten door de Krijgsraad. Het hof heeft Bouterse met andere woorden gezegd om rustig het vonnis af te wachten. Het hof heeft zijn beslissing goed gemotiveerd. De verdachten zijn op 29 november opgeroepen. Naar alle waarschijnlijkheid zal de zaak officieel worden afgesloten, waarna binnen 21 dagen vonnis zal komen. Hieronder het vonnis van het Hof: UITSPRAAK HET HOF VAN JUSTITIE Beschikking ex artikel 312 jo 28 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) inzake het verzoek van BOUTERSE, DELANO DESIRÉ, wonende te Paramaribo, verzoeker, niet verschenen in raadkamer doch wel vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, I.D. Kanhai, BSc., advocaat, 1. Het procesverloop Dit blijkt uit de volgende processtukken/proceshandelingen: het verzoekschrift, dat op 25 oktober 2017 ter griffie van het Hof van Justitie is ingediend; de mondelinge toelichting van het verzoekschrift zijdens de gemachtigde van verzoeker; de schriftelijke conclusie van antwoord van de zijde van het Openbaar Ministerie en een mondelinge toelichting daarop; de mondelinge conclusie van repliek zijdens de gemachtigde van verzoeker; de mondelinge conclusie van dupliek zijdens het Openbaar Ministerie; 2. Het verzoek Verzoeker vordert op grond van artikel 312 jo 28 Sv dat de strafzaak tegen hem als beëindigd wordt beschouwd zonder oplegging van straf of maatregel. 3. De grondslag van het verzoek en het verweer 3.1 Verzoeker heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. In de strafzaak die loopt tegen verzoeker bij de Krijgsraad, hebben de Auditeur-Militair en zijn gemachtigde over en weer gerequireerd respectievelijk gepleit. Hij, verzoeker, heeft op 29 oktober 2018 de gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord. De Krijgsraad heeft hierna bepaald dat er vonnis volgt op een nader te bepalen datum, zonder dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten. Tussen 29 oktober 2018 en de dag van het onderhavige verzoek ligt een periode van bijkans een jaar. Ingevolge het bepaalde in artikel 331 lid 3 Sv mag de uitspraak in geen geval later plaatsvinden dan op de 21e dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. De Krijgsraad heeft langer dan een jaar geen processuele handelingen meer verricht in de strafzaak tegen hem. Steun zoekend bij artikel 331 Sv betoogt verzoeker dat dit artikel geen ruimte biedt hiertoe, terwijl er ook geen zicht is op een datum waarop de uitspraak zal worden gedaan. Verzoeker stelt verder dat een jaar “stilzitten” in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur, terwijl een jaar wachten op een uitspraak zonder daartussenin enige processuele handeling te plegen ongekend is in de literatuur. Aan verzoeker is ook geen reden kenbaar gemaakt waarom thans langer dan een jaar – zonder enige processuele handeling – de uitspraak uitblijft. 3.2 Het Openbaar Ministerie heeft verweer gevoerd. Het Hof komt indien nodig terug daarop in de beoordeling. 4. De beoordeling Ontvankelijkheid 4.1 Het Openbaar Ministerie heeft – zakelijk weergegeven – als formeel verweer aangevoerd dat het onderhavige verzoek is ingediend door de raadsman terwijl niet is gebleken van zijn bevoegdheid daartoe en evenmin is gebleken dat verzoeker achter dit verzoek staat. Het Openbaar Ministerie concludeert dat verzoeker daarom niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het onderhavige verzoek. Voorop gesteld wordt dat het onderhavige verzoek is ingediend door dezelfde raadsman van verzoeker, die hem ook vertegenwoordigt in zijn strafzaak bij de Krijgsraad. Uit de wet blijkt niet van een expliciete vereiste zoals door het Openbaar Ministerie is aangevoerd. Evenmin zijn er feiten aangevoerd waaruit zou moeten worden geconcludeerd dat verzoeker het niet eens is met het onderhavige verzoek, zodat verzoeker wel ontvankelijk is in zijn verzoek. Daarenboven bepaalt artikel 315 lid 1 Sv dat elke bevoegdheid aan de verdachte bij deze titel toegekend ook toe komt aan diens raadsman. Nu verzoeker zijn verzoek baseert op het bepaalde in artikel 312 Sv in verbinding met artikel 28 Sv en artikel 312 Sv evenals artikel 315 lid 1 Sv deel uitmaakt van Titel III van het Wetboek van Strafvordering, komt deze bevoegdheid in de visie van het Hof ook toe aan de raadsman. Het Hof gaat dan ook voorbij aan het formeel verweer van het Openbaar Ministerie. 4.2 Het Hof gaat uit van de volgende feiten in het onderhavige verzoek: tegen verzoeker loopt er een strafzaak bij de Krijgsraad en is er tegen hem verstek verleend; op 28 oktober 2018 heeft verzoeker de gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord; de Krijgsraad heeft hierna bepaald dat er vonnis volgt op een nader te bepalen datum zonder dat het onderzoek ter terechtzitting is gesloten; de Krijgsraad heeft vanaf 28 oktober 2018 tot heden – dus thans langer dan een jaar – geen enkele proceshandeling meer gepleegd in de strafzaak tegen verzoeker en evenmin is er zicht op enige proceshandeling. 4.3 Primair dient de vraag te worden beantwoord of de Krijgsraad bevoegd was om op 28 oktober 2018 in de strafzaak tegen verzoeker, het onderzoek ter terechtzitting te schorsen voor onbepaalde tijd. Het Hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 259 lid 1 Sv, het uitgangspunt is dat een eenmaal aangevangen onderzoek zonder onderbreking tot een einde wordt gebracht. Uit artikel 259 lid 2 Sv blijkt evenwel dat onderbreking van een onderzoek wel mogelijk is onder meer vanwege de uitgebreidheid of de duur van het onderzoek. Lid 3 van hetzelfde artikel biedt de mogelijkheid dat, indien het belang van het onderzoek dat vordert, de schorsing van het onderzoek wordt gelast met of zonder tijdsbepaling. Uit het voorgaande – met name artikel 259 lid 3 Sv – blijkt de bevoegdheid van de Krijgsraad tot schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd. 4.4 Vervolgens dient te worden beantwoord de vraag of verzoeker succesvol een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 312 juncto artikel 28 lid 1 Sv om de zaak voor beëindigd te verklaren. Deze vraag dient naar het oordeel van het Hof ontkennend te worden beantwoord. Ingevolge het systeem van het Wetboek van Strafvordering heeft artikel 28 Sv betrekking op een gebrek aan besluitvaardigheid aan de zijde van het Openbaar Ministerie, en niet op de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek dat door de rechter op vordering van het Openbaar Ministerie wordt verricht. Immers, één van de uitgangspunten van het strafvorderlijk stelsel is dat de strafvervolging na de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting dient uit te monden in een formele of materiële einduitspraak. Dit is ook de reden waarom de dagvaarding, na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, niet meer kan worden ingetrokken. De ratio van artikel 28 Sv is immers dat de verdachte zich kan beschermen tegen een onredelijk oponthoud en tegen de onzekerheid of aan zijn zaak al dan niet verder gevolg zal worden gegeven. In casu is de strafzaak tegen verzoeker reeds in behandeling bij de Krijgsraad en verkeert in staat van wijzen weshalve – in navolging van het voorgaande – de uitspraak dient te worden afgewacht. In de visie van het Hof is het in casu in elk geval duidelijk dat er een uitspraak dient te komen. Wanneer die uitspraak zal komen is vooralsnog onduidelijk maar het voorgaande rechtvaardigt niet de consequentie die verzoeker daaraan verbonden wenst te zien. De verbinding die verzoeker maakt met het bepaalde in artikel 312 Sv brengt het Hof tot de slotsom dat het Hof bevoegd is om van het onderhavige verzoek kennis te nemen, aangezien uit geen enkele wetsbepaling het tegendeel volgt. 4.5 Het Hof is van oordeel dat iedere verdachte – en dus ook verzoeker – recht heeft op behandeling en afhandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Een der fundamenten van het wetboek van strafvordering is de regel dat een tegen een verdachte aangevangen vervolging zo spoedig en regelmatig mogelijk dient te worden voortgezet, totdat van de rechter een einduitspraak is verkregen dan wel de vervolging op een vóór het onderzoek ter terechtzitting liggend tijdstip is beëindigd. Schorsing van het onderzoek ter terechtzitting in de strafzaak tegen verzoeker, nu al langer dan een jaar, zonder enige proceshandeling danwel zonder enig zicht op een proceshandeling, leidt – naar het oordeel van het Hof – tot de slotsom dat die periode onredelijk lang is. Nu de strafzaak van verzoeker in staat van wijzen verkeert zal het Hof met voormelde constatering volstaan en het aan de Krijgsraad overlaten om daar eventueel consequenties aan te verbinden. Desalniettemin is het Hof van oordeel dat deze omstandigheid niet betekent dat verzoeker “lijdzaam” een afwachtende houding dient aan te nemen. Hij heeft ook de verantwoordelijkheid om te bewaken dat zijn zaak “vlot wordt getrokken”, en uit dien hoofde aan de Krijgsraad het verzoek te doen dat de zaak weer op de rol wordt gebracht. Dat het voorgaande zou zijn geschied is gesteld noch gebleken. 4.6. De verwijzing van verzoeker naar artikel 331 lid 3 Sv, welk artikel bepaalt dat de uitspraak in geen geval later mag plaatsvinden dan op de 21e dag na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, gaat in dit geval niet op nu voormeld artikel toeziet op een uitspraak na sluiting van het onderzoek, en verzoeker zelf ook aanvoert dat van sluiting van het onderzoek in casu geen sprake is. De door verzoeker verzochte analoge toepassing van deze wetsbepaling in deze zaak (althans zo vat het Hof dat op) ontbeert enige wettelijke grondslag en zou een dergelijke extensieve interpretatie van deze bepaling in de visie van het Hof in strijd zijn met het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1 Sv. 4.7. Het Hof zal gelet op al het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, het onderhavige verzoek afwijzen. 4.8. Het Hof acht bespreking van de overige stellingen en weren van partijen overbodig. 5. De beslissing Het Hof: Wijst het verzoek van verzoeker af . Aldus gegeven te Paramaribo in raadkamer van het Hof van Justitie op woensdag 6 november 2019, door mr. A. Charan, fungerend-president, mr. I.S. Chhangur-Lachitjaran, lid, en Kolonel J. Hew A Kee, lid – plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Kisoensingh-JangbahadoerSingh, fungerend-griffier. w.g. G.A. Kisoensingh – JangbahadoerSingh w.g. A. Charan w.g. I.S. Chhangur- Lachitjaran w.g. J. Hew A Kee Voor eensluidend afschrift, De Griffier van het Hof van Justitie, mr. M.E. van Genderen – Relyveld.