Tijdens een recente lezing in het PALU-centrum, liet Sandew Hira weinig aan de verbeelding over: de excuses van koning Willem-Alexander voor het Surinaamse slavernijverleden zijn volgens hem, gebaseerd op een leugen. Het Nederlandse koningshuis presenteert zich als toeschouwer, maar was volgens Hira, actief betrokken bij de slavernij en profiteerde het grootschalig van de handel in tot slaaf gemaakte mensen. Hira illustreerde dit met historische feiten: voorouders van het Huis van Oranje waren grootaandeelhouder in de Middelburgse Commercie Compagnie (MCC), een van de grootste slavenhandelaren van de 18e eeuw. Koning Willem I, bijgenaamd de ‘Koopman-Koning’, tekende persoonlijk voor miljoenen in de Nederlandse Handel-Maatschappij (NHM), eigenaar van plantages in Suriname en Nederlands-Indië. Zelfs na de afschaffing van de slavernij, bleef de NHM profiteren van de suikerindustrie, onder andere via de plantage Mariënburg.
Hira stelt dat beschaafde excuses niet beperkt mogen blijven tot symbolische woorden over Afrikaanse slavernij, maar het volledige koloniale verleden moeten erkennen: van de illegale bezetting van Suriname en de uitbuiting van contractarbeiders uit Azië tot het systematisch stelen van rijkdommen en het veroorzaken van menselijk leed.
Toch staat Hira zelf ter discussie. In 2017 distantieerde zijn familie zich van hem vanwege eerdere mediacampagnes en politieke betrokkenheid, die de reputatie van de familie en nabestaanden van slachtoffers zouden hebben geschaad. Zijn familie beschuldigt hem van zelfprofilering, het verspreiden van halve waarheden en het instrumentaliseren van historische tragedies om zijn eigen agenda te dienen. Het is een intrigerend contrast: Hira hekelt de symbolische excuses van het Huis van Oranje, maar wordt tegelijk beticht van het misbruiken van het historische debat voor persoonlijke profilering. Hier ligt de kern van de discussie: wat is de waarde van excuses als de boodschapper zelf niet onbesproken is? Hira vraagt terecht om volledige erkenning van het verleden, inclusief herstelbetalingen en verantwoordelijkheid voor de gestolen rijkdommen van Suriname. Tegelijkertijd roept zijn optreden vragen op over intentie en legitimiteit. Zijn kritiek is scherp en belangrijk, maar de toon en methodiek roepen ook scepsis op. Het debat over excuses van het Nederlandse koningshuis toont een hardnekkige spanning: symboliek versus daadkracht. Excuses zijn nuttig als ze een eerlijk en volledig beeld geven van historische feiten en als ze samengaan met concrete stappen richting herstel en compensatie. Zonder dat blijven ze lege woorden, een toneelstuk van diplomatieke pracht en praal. Suriname en de wereld verdienen meer dan mooie woorden en mediahypes. Wie excuses aanbiedt, moet volledig durven erkennen wat is gebeurd, inclusief de omvang van de gestolen rijkdommen en het leed dat generaties overspant. Tegelijkertijd moeten critici hun boodschap zuiver en integer brengen, zodat het debat niet vervalt tot persoonlijke profilering of mediadrama. Pas dan kan het gesprek over historische rechtvaardigheid werkelijk oprecht en constructief worden gevoerd.


