De komende jaren zal Suriname niet alleen meer olie produceren, maar ook een grotere vraag naar personeel krijgen. De Wereldbank verwacht richting 2030 meer dan 15.000 nieuwe of veranderde functies in olie en gas, toerisme en agribusiness. Tegelijkertijd blijkt uit het rapport Jobs and Skills Radar 2030 dat Suriname onvoldoende mensen opleidt die voor deze functies direct inzetbaar zijn. Dat maakt de ontwikkeling van GranMorgu meer dan een miljardeninvestering in offshore olie. Het project wordt ook een test voor de vraag of Suriname erin slaagt de economische groei te vertalen naar werkgelegenheid en vakmanschap voor de eigen bevolking.
De grootste arbeidsmarktkansen liggen volgens de Wereldbank in drie sectoren. Olie en gas kan meer dan 6.000 banen opleveren, toerisme en hospitality 5.000 tot 7.000 en agribusiness 2.500 tot 3.500. Het gaat om scenario’s en niet om gegarandeerde aantallen, maar de richting is duidelijk: de vraag naar personeel neemt toe. Vooral in olie en gas is de tijd beperkt. Werkgevers die voor het onderzoek zijn geïnterviewd, verwachten op middellange termijn 200 tot 300 directe bedrijfsfuncties en tot 2.500 banen wanneer aannemers en onderaannemers worden meegerekend. Bij GranMorgu is die ontwikkeling al zichtbaar. Het project telt inmiddels ongeveer 700 directe arbeidsplaatsen. Total-Energies wil dit aantal op termijn verhogen naar circa 2.000. Daarnaast zijn er meer dan honderd Surinaamse bedrijven betrokken bij de ontwikkeling van Block 58. Op de Kuldipsingh Port Facility werken ongeveer 225 mensen, van wie 99 procent Surinamer is. Het terrein is uitgebreid van circa 45.000 naar 200.000 vierkante meter en ondersteunt de logistiek rond GranMorgu. De offshoreactiviteiten worden vanaf begin 2027 opgevoerd en de eerste olie wordt in 2028 verwacht. Daarmee is de beschikbaarheid van geschikt personeel geen toekomstige kwestie meer. De vraag ontstaat nu. Juist daar ligt de zwakke plek. Volgens de Wereldbank kampen werkgevers met een tekort aan personeel met de juiste technische vaardigheden, veiligheidscertificaten, STEM-basiskennis en praktische werkervaring. Tegelijkertijd beschikt ongeveer 77 procent van de scholen voor technisch en beroepsonderwijs op lager en middelbaar niveau niet over voldoende lokalen of werkplaatsen voor praktijkonderwijs. Dat is een directe mismatch tussen opleiding en arbeidsmarkt. Een diploma volstaat bovendien niet voor functies in de olie- en gassector. Daarvoor zijn specifieke technische vaardigheden en veiligheidskwalificaties nodig. Wanneer die lokaal niet beschikbaar zijn, ligt het aantrekken van buitenlandse werknemers voor de hand. Dat kan op korte termijn noodzakelijk zijn, maar mag geen structurele vervanging worden voor het opleiden van Surinamers. De oplossing ligt niet in meer opleidingen om het aantal opleidingen te verhogen, maar in opleidingen die aantoonbaar aansluiten op de vraag van bedrijven. De Wereldbank noemt versnelde technische opleidingen, erkende certificering, praktijkleren en nauwere samenwerking tussen werkgevers en opleidingsinstituten. Ook Engels moet een grotere plaats krijgen. Voor internationaal georiënteerde sectoren als olie en gas, toerisme en exportgerichte agribusiness is taalvaardigheid een praktische arbeidsvoorwaarde. In toerisme spelen daarnaast klantcontact, werkhouding en het kunnen functioneren onder druk en in ploegendiensten een rol. Hetzelfde probleem doet zich voor in de agribusiness. Opleidingen zijn volgens het rapport vaak te theoretisch, terwijl faciliteiten voor praktijkonderwijs beperkt zijn. Daardoor blijft een sector met groeipotentieel kampen met een tekort aan geschikte arbeidskrachten. De kern van het probleem is daarmee duidelijk: de economie ontwikkelt zich sneller dan het opleidingssysteem.
GranMorgu biedt Suriname de mogelijkheid om dat te veranderen. TotalEnergies verwacht gedurende de looptijd van het project tussen de USD 1 miljard en USD 1,5 miljard in Suriname te besteden. Die economische activiteit moet niet alleen worden gemeten in olieproductie en inkomsten, maar ook in kennis, vaardigheden, lokale bedrijven en duurzame werkgelegenheid. Daarvoor zijn concrete afspraken nodig tussen overheid, bedrijven en opleidingsinstituten over stages, certificering, praktijktraining en kennisoverdracht. Buitenlandse expertise kan daarbij worden ingezet, maar waar functies op termijn door Surinamers kunnen worden ingevuld, moet daar een gericht opleidingstraject tegenover staan.
De eerste olie wordt in 2028 verwacht. De voorbereiding van de Surinaamse arbeidsmarkt kan daar niet op wachten.

