Wij wisten niet of wij moesten lachen of huilen bij de opeenvolgende ontwikkelingen rond de internationale opsporing van voormalig minister van Financiën Gillmore Hoefdraad. Wat in 2022 al duidelijk werd, krijgt in 2026 opnieuw een vervolg: Interpol heeft voor de tweede keer geweigerd om een Red Notice uit te vaardigen, terwijl eerdere signaleringen eveneens werden ingetrokken. Daarmee blijft overeind dat er geen actieve internationale opsporingsstatus bestaat, ondanks de zware strafrechtelijke beschuldigingen en het nationale vervolgingsdossier dat in Suriname nog steeds loopt. De kwestie is helaas niet nieuw, want in 2022 werd al duidelijk dat Interpol na toetsing van het Surinaamse verzoek grote bezwaren had bij de juridische onderbouwing van het dossier. Interpol stelde toen dat onvoldoende informatie was aangeleverd en dat er vraagtekens bestonden bij de consistentie en volledigheid van de stukken. De Commissie voor de Controle van Interpol-bestanden (CCF) greep in en blokkeerde de gegevensverwerking, waardoor de internationale signalering feitelijk werd stilgelegd. In dezelfde periode werd de eerdere Red Notice uiteindelijk ingetrokken, nadat Interpol oordeelde, dat het risico op een politiek gekleurd dossier niet kon worden uitgesloten en de juridische basis onvoldoende stevig was.
Daarna volgde een hernieuwde poging vanuit Suriname om Hoefdraad opnieuw internationaal te laten signaleren. Ook die tweede poging is nu opnieuw afgewezen. Interpol ziet geen aanleiding om een Red Notice uit te vaardigen en bevestigt bovendien dat er geen actieve Notice of Diffusion op zijn naam rust. In praktische zin betekent dit dat Hoefdraad op dit moment niet internationaal wordt opgespoord via Interpol-kanalen.
In het bredere debat speelt ook de felle commentaarlijn uit 2022 een belangrijke rol, waarin de verdediging van Hoefdraad en de kritiek daarop, hard tegenover elkaar stonden. In de toenmalige publieke opinie werd Hoefdraad verweten dat hij Interpol zou hebben misleid door onvolledige informatie te verstrekken. Zijn verdediging stelde daarentegen dat alle relevante gegevens correct waren aangeleverd en dat zijn beleidsbeslissingen als minister in een uitzonderlijke financiële crisisperiode, juist hebben bijgedragen aan stabiliteit en transparantie, al werden die intern politiek zwaar aangevallen.
Hoefdraad stelde in zijn verweer aan Interpol in 2022, dat alle aanklachten rond persoonlijk voordeel ongegrond waren en dat beleidsbeslissingen binnen zijn ministeriële bevoegdheid vielen. Kritische stemmen verwierpen die uitleg en verwezen naar het bredere financieel-economische beeld van die periode, waarin grote schuldfinanciering en complexe constructies centraal stonden. Ook de zogenoemde Clairfield-contracten kwamen zwaar onder vuur te liggen in dat debat. Hoefdraad stelde dat het ministerie van Financiën geen directe partij was bij deze overeenkomsten en dat de Centrale Bank van Suriname als zelfstandige entiteit handelde. Volgens zijn verklaring had hij geen contracten ondertekend of beheerd en was hij niet inhoudelijk betrokken bij de uitvoering. Echter werd in die periode gesteld dat er aanwijzingen zouden bestaan dat hij wel degelijk kennis had van deze constructies, onder meer op basis van interne communicatie en verklaringen uit de periode.
Een ander, zwaar beladen onderdeel in het dossier betreft de overdracht van overheidspanden aan de Centrale Bank in het kader van liquiditeitssteun. Hoefdraad verdedigde deze transacties als noodzakelijke noodmaatregelen om salarissen, pensioenen en overheidsverplichtingen te kunnen blijven betalen tijdens een acute financiële crisis. In zijn toelichting aan de onderzoekscommissie van Interpol stelde hij dat de eigendomsoverdracht van de zeventien panden een normale liquiditeitsfinancieringsregeling betrof tussen de Centrale Bank van Suriname en de overheid, omdat de staat dringend liquiditeit nodig had om een acute crisis op te vangen. Hij verklaarde daarbij dat zonder extra middelen, de overheid geen ambtenaren, pensioenen en uitkeringen kon betalen, en dat daarom staatseigendommen zijn ingezet als noodliquiditeit. Tegenover die verdediging stonden meerdere kritische meningen waarin gesteld werd dat deze benadering vooral symbool stond voor een beleid dat sterk leunde op lenen en kortetermijnfinanciering. In die visie werd gewezen op het feit dat in de periode 2010 tot juli 2020 in totaal 225 leningen werden afgesloten door de Surinaamse regering, waarvan 169 in vreemde valuta en 56 in SRD. Dat was als illustratie van een structurele afhankelijkheid van schuldinstrumenten.
Het debacle rond de waardering van de zeventien panden, stond ter discussie en is ook een van de aanklachten tegen voormalig governor Robert van Trikt. Volgens Hoefdraad was er sprake van een getaxeerde verkoop met een overeengekomen waarde van 105 miljoen euro, die tussen de betrokken instanties, waaronder de Centrale Bank en het ministerie van Ruimtelijke Ordening, Grond- en Bosbeheer, was gecommuniceerd. Daartegenover staan informatie en bewijsstukken waaruit zou blijken dat de panden in de tweede tranche, niet volledig eigendom van de staat waren en dat de waardering niet in verhouding stond tot de werkelijke marktwaarde. Daarbij wordt zelfs gesuggereerd dat bepaalde overheidsgebouwen mogelijk sterk zijn overgewaardeerd, met verwijzingen naar bedragen die aanzienlijk lager zouden liggen dan de uiteindelijke transactiewaarde. Ook wordt gesteld dat niet alle onderliggende eigendomsstructuren helder waren, waarbij panden volgens die lezing niet rechtstreeks op naam van de staat stonden, maar verbonden zouden zijn aan stichtingen en vennootschappen met wisselende bestuurlijke constructies. Tegenover deze informatie en transacties blijft Hoefdraad volhouden dat het ging om noodmaatregelen binnen een uitzonderlijke economische context en dat de transacties noodzakelijk waren om de continuïteit van de staat te garanderen.
Wat resteert is een dossier waarin internationale afwijzing, nationale vervolging en een fel beladen publieke discussie naast elkaar blijven bestaan. De verwijzingen naar de Clairfield-constructies en de overdracht van overheidspanden blijven daarin centrale ankerpunten, terwijl het bredere debat over verantwoordelijkheid, beleidskeuzes en financiële governance uitgroeit tot een blijvende politieke en maatschappelijke splijtzwam. Wij vragen ons tot op heden af, waarom zijn adviseurs Robert Putter, Bernard Fritzz-Krockow, Donovan Bruijne en vele anderen, met de noorderzon zijn vertrokken en nooit gehoord zijn. Als alles goed te verklaren was en er geen strafbare feiten zijn gepleegd, waarom wordt Ginmardo Kromosoeto nog steeds vervolgd en zit Robert van Trikt vast in Santo Boma? Dit zijn simpele vragen en misschien moest de commissie van Interpol een kijkje hebben genomen op de website van De West, dan had zij hun onderzoek veel breder gedaan, in plaats van aannemen, wat die gevluchte crimineel ze heeft voorgehouden.


