De huidige procureur-generaal (PG) is juridisch niet verplicht om persoonlijk voor De Nationale Assemblee (DNA) te verschijnen, om mondeling toelichting te geven over een verzoek tot in staat van beschuldigingstelling van een voormalig bewindspersoon. Dat zegt oud-procureur-generaal Roy Baidjnath Panday, die zich naar aanleiding van de recente discussie over de kwestie, genoodzaakt voelt om het wettelijke proces toe te lichten.
Volgens Baidjnath Panday bestaat er veel verwarring over de rol van de PG en de bevoegdheden van DNA binnen het traject, dat voorafgaat aan een mogelijke strafrechtelijke vervolging van een voormalig minister of andere politieke ambtsdrager. Hoewel er in de media uiteenlopende meningen zijn geuit door juristen en andere deskundigen, stelt Baidjnath Panday, dat de wet duidelijk is: de procureur-generaal heeft de plicht om DNA schriftelijk te informeren, niet om mondeling verantwoording af te leggen in het parlement.
“In de afgelopen periode zijn verschillende deskundigen naar voren getreden met interpretaties over het verzoek van DNA aan de procureur-generaal, om naar het parlement te komen. Ik heb die discussies gevolgd en wil op basis van de Wet In Staat van Beschuldigingstelling benadrukken, dat de PG slechts gehouden is om De Nationale Assemblee via documenten te informeren over de redenen die aanleiding geven om een voormalig bewindspersoon als verdachte aan te merken”, aldus Baidjnath Panday.
Een daad van vervolging is juridisch breder dan alleen het uitbrengen van een dagvaarding, zegt hij. Ook het indienen van een vordering tot gerechtelijk vooronderzoek bij de rechter-commissaris geldt als een formele proceshandeling. Voordat die stap kan worden gezet tegen een voormalig bewindspersoon, moet de PG zich ervan verzekeren dat DNA toestemming heeft verleend via een in staat van beschuldigingstelling.
Volgens Baidjnath Panday begint dat proces met een strafrechtelijk onderzoek, waarin voldoende feiten en omstandigheden moeten worden vastgesteld, die wijzen op mogelijke ambtsmisdrijven.
Zodra die eerste fase voldoende grond biedt, moet de procureur-generaal DNA daarover gedetailleerd informeren.
“Die informatie wordt vervat in een schriftelijk document waarin precies staat, welke omstandigheden aanleiding hebben gegeven om de betrokken persoon als verdachte aan te merken en waarom verdere vervolging noodzakelijk wordt geacht. Vervolgens is het volledig aan DNA om zich daarover te beraden.”
De rol van DNA is daarbij volgens Baisjnath Panday, beperkt tot een zogenoemde marginale toetsing. ‘’Dat betekent dat het parlement niet zelf moet beoordelen of er voldoende bewijs is voor schuld of onschuld.’’
“Bewijstoetsing behoort uitsluitend tot de rechterlijke macht. DNA hoeft niet vast te stellen of iemand schuldig is. De assemblee moet enkel nagaan of er voldoende feiten zijn aangereikt om de procureur-generaal toestemming te geven om het strafproces voort te zetten.”
Baidjnath Panday zegt dat juist daarom, een schriftelijke uitwisseling tussen de PG en DNA essentieel is. Mocht het parlement behoefte hebben aan extra informatie of verduidelijking, dan kan het de procureur-generaal schriftelijk verzoeken, om een nadere toelichting op specifieke punten.
“Alle documenten die worden uitgewisseld tussen het Openbaar Ministerie en De Nationale Assemblee, worden onderdeel van een dossier. Dat dossier wordt later overgedragen aan de rechter-commissaris en mogelijk ook aan de rechter die uiteindelijk over de zaak oordeelt. Daarom moet alles zorgvuldig en controleerbaar worden vastgelegd.”
Hij waarschuwt dat afwijkingen van die procedure kunnen leiden tot juridische complicaties. “Als blijkt dat wettelijke stappen niet correct zijn gevolgd, kan een rechter later vaststellen, dat sprake is van een vormfout. Zulke procedurele fouten kunnen grote gevolgen hebben voor het verdere verloop van een zaak. Daarom is het van groot belang dat het proces strikt volgens de regels verloopt.”
Baidjnath Panday noemt de beslissing van de huidige procureur-generaal om niet persoonlijk voor DNA te verschijnen, daarom juridisch verdedigbaar en zelfs wenselijk. “Wanneer de PG ervoor kiest om schriftelijk te antwoorden en DNA uitnodigt om eventuele aanvullende vragen eveneens schriftelijk te stellen, handelt zij volledig binnen het kader van het strafprocesrecht. Dat is geen weigering om informatie te geven, maar juist een manier om het proces juridisch correct te houden.”
Volgens hem moet bovendien worden voorkomen dat een verschijning van de procureur-generaal in het parlement de indruk wekt van een politiek verhoor, terwijl het in werkelijkheid gaat om een formeel juridisch traject. “Het risico bestaat dat een mondelinge toelichting meer lijkt op een ondervraging, terwijl het proces juist vraagt om objectieve, gedocumenteerde communicatie. Met schriftelijke stukken kan later exact worden nagegaan, wat is uitgewisseld en of alle stappen conform de wet zijn gezet.”
Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst Baidjnath Panday naar eerdere precedenten in Suriname, waaronder zaken tegen voormalige ministers zoals oud-minister Gillmore Hoefdraad, evenals andere dossiers uit eerdere decennia.
“In eerdere gevallen heeft DNA op basis van schriftelijke informatie van de procureur-generaal besluiten genomen over de in staat van beschuldigingstelling. Dat is de gebruikelijke en juridisch juiste werkwijze.”
Hoewel hij zich aanvankelijk terughoudend opstelde om zich publiekelijk uit te spreken, achtte Baidjnath Panday het noodzakelijk om duidelijkheid te scheppen in het maatschappelijke debat. “Ik wilde geen olie op het vuur gooien, maar ik vond het belangrijk om vanuit mijn ervaring en met de wet in de hand, uit te leggen hoe deze procedure bedoeld is. Uiteindelijk gaat het om rechtszekerheid en een zorgvuldig verloop van het strafproces”, aldus Baidjnath Panday, die met zijn toelichting, een juridisch perspectief toevoegt aan een discussie die inmiddels niet alleen in de politiek, maar ook in de samenleving, aandacht krijgt.

