De procureur-generaal (PG), mr. Garcia Paragsingh, heeft op 9 maart 2026, drie vorderingen tot in staat van beschuldigingstelling ingediend bij De Nationale Assemblee (DNA), tegen de voormalige ministers Riad Nurmohamed, Bronto Somohardjo en Gillmore Hoefdraad. De vorderingen hebben betrekking op vermeende strafbare feiten die tijdens hun ambtsperiode, zouden zijn gepleegd.
Naar aanleiding hiervan heeft de onderzoekscommissie van DNA, onder leiding van voorzitter Rabin Parmessar, de PG uitgenodigd voor een nadere toelichting in het parlement. Paragsingh heeft in een brief van 14 mei aangegeven, dat zij afziet van een mondelinge toelichting, omdat de ingediende stukken volgens haar, reeds voldoende informatie bevatten. Wel stelde zij dat eventuele aanvullende vragen schriftelijk kunnen worden ingediend, waarna het Openbaar Ministerie (OM) deze eveneens schriftelijk zal beantwoorden.
De kwestie heeft geleid tot discussie binnen het parlement. Sommige assembleeleden menen dat de PG haar bevoegdheden te ruim interpreteert door niet persoonlijk in het parlement te verschijnen. Staatsrechtgeleerde Hugo Fernandes Mendes, deelt die kritiek niet. In het radioprogramma ABC Aktueel zei hij dat de PG het parlement reeds uitvoerig heeft geïnformeerd met zowel de ingediende documenten als onderliggende stukken.
Volgens Fernandes Mendes heeft de PG zorgvuldig gehandeld, door aan te geven, dat verdere vragen schriftelijk kunnen worden gesteld. Hij benadrukte dat de wet slechts vereist dat de PG een feitelijke omschrijving van de vermeende strafbare feiten verstrekt, en dat zij hierin zelfs uitgebreider is geweest dan strikt noodzakelijk.
Mendes wees erop dat DNA zich in deze fase moet beperken tot een procedurele beoordeling. Volgens hem mag het parlement geen inhoudelijk onderzoek doen naar de schuldvraag of beoordelen of de voormalige ministers terecht als verdachten zijn aangemerkt. “De Nationale Assemblee mag niet onderzoeken of de betrokkenen terecht als verdachten zijn aangewezen. Inhoudelijk mag DNA geen onderzoek doen”, aldus Fernandes Mendes.
Hij stelde verder dat het ongebruikelijk zou zijn als de PG mondeling in het parlement vragen zou moeten beantwoorden over lopende strafzaken. Daarbij kunnen volgens hem, gevoelige informatie en aspecten van het strafrechtelijk onderzoek openbaar worden besproken, terwijl verdachten recht hebben op zorgvuldige behandeling en bescherming van hun positie. Fernandes Mendes herinnerde eraan dat de regeling rond de vervolging van politieke ambtsdragers historisch bedoeld is als extra bescherming tegen politiek gemotiveerde vervolgingen. De rol van DNA is volgens hem daarom niet om de strafzaak inhoudelijk te beoordelen, maar om te toetsen of een vervolging mogelijk maatschappelijke onrust of politieke misbruik zou veroorzaken.
Eveneens benadrukte hij dat in het huidige maatschappelijke klimaat, waarin integriteit en corruptiebestrijding centraal staan, het juist belangrijk is dat de rechter zich uiteindelijk over de zaak kan uitspreken. Volgens hem zou het weigeren van vervolging op politieke gronden eveneens tot maatschappelijke twijfel kunnen leiden.
Fernandes Mendes noemde de keuze van de PG om een schriftelijke beantwoording van vragen voor te stellen “adequaat en verstandig”. Volgens hem biedt dit voldoende ruimte voor DNA om de zaak zorgvuldig te beoordelen, zonder dat het parlement zich op het terrein van de rechterlijke macht begeeft.

