De Surinaamse goudsector wordt al jaren omschreven als een gebied waar ordening, regulering en duurzaamheid hand in hand zouden moeten gaan. In de praktijk lijkt die ambitie echter steeds vaker te botsen met de realiteit in het veld. Terwijl het ministerie van Natuurlijke Hulpbronnen onder leiding van minister David Abiamofo, stelt dat er sinds 2020 “grote stappen” zijn gezet in de ordening van de skalianactiviteiten, rijst de vraag, in hoeverre die ordening daadwerkelijk controle betekent, of eerder een administratieve herverpakking van een sector die grotendeels buiten effectieve toezichtstructuren blijft opereren.
Volgens de minister is de goudwinning met skalians op het stuwmeer gereguleerd en zijn de activiteiten op de grensrivieren drastisch teruggebracht, mede door interventie van het Openbaar Ministerie.
Waar er vroeger meer dan twintig skalians actief waren, zouden dat er nu nog drie zijn. Tegelijkertijd beschikken de skalianhouders over formele beschikkingen van het ministerie, wat door de overheid wordt gepresenteerd als bewijs van regulering.
Die formele structuur staat echter in schril contrast met observaties in het veld en eerdere berichtgeving. Nog geen jaar geleden werd door journalisten van De Ware Tijd een beeld geschetst van een actief en moeilijk controleerbaar netwerk van skalians op het stuwmeer. Niet alleen waren meerdere installaties zichtbaar operationeel, ook werd gewezen op de intensiteit van de activiteiten, de aanwezigheid van zwaar materieel, permanente bewaking en duidelijke signalen dat pottenkijkers niet welkom zijn. De beschrijving van vervuild water, draaiende pompen en een bijna industriële exploitatie roept vragen op over de werkelijke impact van deze ‘gereguleerde’ activiteiten.
Daar komt bij dat de institutionele transparantie over de sector beperkt blijft.
Terwijl een districtscommissaris stelt dat skalians ‘business as usual’ zijn en dat afspraken via het ministerie moeten worden verduidelijkt, blijft concrete publieke verantwoording over vergunningen, zones en milieueffecten grotendeels uit. Zelfs wanneer het ministerie aangeeft dat er per 2023 onder strikte voorwaarden zou mogen worden gemijnd in afgebakende gebieden, is niet duidelijk, in hoeverre deze afspraken worden nageleefd of gemonitord.
De tegenstelling tussen beleid en praktijk wordt nog scherper wanneer internationale en regionale waarschuwingen in ogenschouw worden genomen. In het Guianaschild wordt al langer gewaarschuwd dat ongereguleerde en slecht gecontroleerde goudwinning niet alleen een ecologische ramp veroorzaakt, maar ook bijdraagt aan grensoverschrijdende criminaliteit en oneerlijke concurrentie met legale mijnbouw. Landen in de regio investeren intussen zwaar in controlemechanismen, met inzet van honderden veiligheidsfunctionarissen en strengere handhaving in kwetsbare gebieden.
Tegen die achtergrond wringt de Surinaamse situatie. Enerzijds wordt verwezen naar internationale verplichtingen zoals de Minamata-conventie en projecten gericht op kwikvrije goudwinning. Anderzijds blijft het gebruik van schadelijke stoffen in de kleinschalige goudsector een hardnekkig probleem. Studies van onder meer het Centre national de la recherche scientifique en de Anton de Kom Universiteit van Suriname, wijzen op ernstige gezondheidsrisico’s bij riviergemeenschappen, variërend van neurologische schade tot aangeboren afwijkingen als gevolg van zware metalen in het water.
De vraag die zich dan opdringt, is of de huidige aanpak werkelijk kan worden omschreven als ordening, of dat het eerder gaat om een vorm van beheerde voortzetting van een sector die economisch belangrijk is, maar ecologisch en sociaal steeds meer onder druk staat. Het feit dat verschillende projecten en internationale financieringsstromen worden ingezet om de sector te hervormen, verandert niets aan de kernproblematiek, zolang de basiscontrole op activiteiten, vergunningen en milieu-impact fragmentarisch blijft.
Opvallend is ook dat beleidsdoelstellingen op het gebied van groene ontwikkeling, zoals verankerd in de Green State Development Strategy, expliciet botsen met de realiteit van vervuilende mijnbouwpraktijken. Het principe dat ‘business as usual’ niet langer houdbaar is, lijkt in de praktijk moeilijk afdwingbaar wanneer economische belangen, informele structuren en beperkte handhavingscapaciteit samenkomen. Wat uiteindelijk ontbreekt, is niet zozeer beleid of internationale samenwerking, maar een geloofwaardige, transparante en afdwingbare governance-structuur die de kloof tussen formele regulering en feitelijke praktijk kan dichten. Zonder die brug dreigt ordening in de goudsector vooral een beleidswoord te blijven, dat de werkelijkheid niet voldoende weerspiegelt.

