De keuze van het Hof van Justitie om een blijk van waardering toe te kennen aan een reeks politici binnen de wetgevende en uitvoerende macht, valt niet bij eenieder in goede aarde. De rand van het toelaatbare binnen de scheiding der machten wordt opgezocht, bovendien op een politiek kritiek moment.
Een glazen plakkaat van dankbetuiging aan regeringsfunctionarissen en assembleeleden, kortom politieke ambtsdragers met grondwettelijke politieke functies, is een unicum en een novum, hoe het Hof het achteraf ook anders wenst in te kleuren. De verwijzing naar andere voorbeelden uit het verleden in verdediging, is broos en dun. De rechterlijke macht heeft niet alleen de plakkaten toegekend, maar daar publiekelijk ruchtbaarheid aan gegeven.
Geheel binnen het normatief denkpatroon van juristen, grijpt de rechterlijke macht naar precedenten: als een gebruik lang bestaat en er nooit geklaagd is, is nu klagen misplaatst. Daaraan kleven gebreken wanneer eerdere erkenningen, niet of nauwelijks aan politici in functie waren. Daarnaast betekent een gebruik dat weinig aandacht geniet, niet dat een precedent wordt geschapen. De publieke kenbaarheid zelf wijzigt de omstandigheden. Iemand die in de buitenlucht en waar niemand het kan zien, een djonko rookt, vestigt geen precedent dat hem in staat stelt dat ook op het Onafhankelijkheidsplein te doen. Een koppel dat vol passie de liefde bedrijft in een openbare speeltuin in het holst van de nacht, vestigt geen precedent om dat op klaarlichte dag te doen. Context is van belang bij de beoordeling van gedrag en het politiek en publiek profiel van de begunstigden van de erkentelijkheid van het Hof, vormt een uiterst relevante connectie bij dit vraagstuk.
De gewetensvraag die het Hof voor zichzelf moet beantwoorden, is hoe gepast het zou zijn wanneer de politiek individuele erkenning kenbaar zou maken aan individuele leden van de rechterlijke macht. Het gebrek aan juryrechtspraak, zittingstermijnen, desnoods lange termijnen, voor leden van de rechterlijke macht, en verkiezingen, desnoods voor een gedeelte van de rechterlijke macht, dragen bij aan het nestelen en de persoonlijke invloed, die bij zowel het Openbaar Ministerie als bij het Hof van Justitie, plaats hebben.
Hoe moet een rechtzoekende die procedeert tegen een van de ontvangers van het plakkaat of een rechtspersoon, geleid of vertegenwoordigd door de rechtzoekende, aankijken tegen de rechtspraak die vrijwillig de goedkeuring en de waardering voor het handelen van de functionaris in het verleden heeft erkend?


