Deze groep christenen blijft maar illegaal kappen in het regenwoud: ‘Dit was niet de afspraak!’

Op afgelegen plekken in Latijns-Amerika kappen mennonieten het regenwoud, tot wanhoop van de autoriteiten. ‘’Deze groep is een van de belangrijkste veroorzakers van ontbossing in de geschiedenis van de Peruaanse Amazone.’ Vloekend rijdt Medelu Saldaña op zijn off-road motor over de pas opengehakte zandweg. Aan weerszijden liggen kilometer na kilometer, omgehakte bomen. Verderop zijn de smeulende restanten te zien van wat een week geleden nog dichte jungle was. “Wat een verschrikking! Dit was niet de afspraak!”, briest Saldaña.

Saldaña is woedend, want als officiële vertegenwoordiger van de drie mennonieten-kolonies die zich sinds 2017 op twintig kilometer van zijn dorp Tierra Blanca in Peru gevestigd hebben, moet hij ze verdedigen tegen aanklachten van illegale ontbossing. Het ministerie van milieu in Lima onderzoekt of de mennonieten, een in de zestiende eeuw van de protestantse kerk afgescheiden gemeenschap, zich schuldig maken aan milieudelicten, want hier in het hart van de Peruaanse Amazone gelden strenge regels.

En zolang dat onderzoek loopt, mag er niet meer gekapt worden. Wat de mennonieten hier nu aangericht hebben, gaat tegen alle regels in.

‘De grond is van ons’

Peter Dyck, president van de mennonieten-kolonie Providencia in Tierra Blanca, snapt het probleem niet. Hij laat zijn paard en wagen halt houden op zijn boerenerf naast de jonge soja-aanplant. De meedogenloze zon heeft Dycks lippen gekloofd, het wit geworden haar plakt op zijn hoofd als hij zijn rieten hoed afzet. “De grond is van ons, daar hebben we documenten van”, zegt hij stellig. “De Peruanen zeggen zelf dat ze landbouw nodig hebben, maar ze staan niet toe dat je het land schoonmaakt.” Volgens Dyck hebben ze hem nooit naar een vergunning gevraagd om bomen te kappen.

Zes jaar geleden verkocht Peter Dyck al zijn bezit in Belize en vertrok met vrouw en twaalf kinderen naar de Peruaanse jungle om te gaan boeren. In het kleine Belize, waar hij vandaan komt, was niet voldoende land voor de toekomst van zijn zonen. Na Dyck volgden er meer Mennonieten uit Belize. Nu zijn ze met 85 families. Samen kochten ze 2500 hectare jungle, op naam van Peter Dyck. Hij verdeelt de grond en daarmee is hij verantwoordelijk voor alle ontbossing in Providencia, de kolonie waar hij president is. Afgelopen week is er nog 18 hectare bos omgehakt voor de families die zich hier binnenkort willen vestigen.

Een paar kilometer verderop liggen nog twee mennonieten-kolonies, Wanderland en Österreich. Hier wonen ruim 180 families met ieder gemiddeld 30 hectare grond. Zij richten zich vooral op sojaproductie, want dat kennen ze uit Bolivia, het land waar ze vandaan komen. Bij elkaar tellen de drie kolonies inmiddels meer dan 1500 mensen en bezitten ze duizenden hectare grond.

Harde werkers

In de schaduw bij de Bamboebar, spelen de mannen van het dorp een spelletje poker. De verweerde houten huizen met hun golfplaten daken hebben duidelijk betere tijden gekend. Vroeger werd in Tierra Blanca hout gekapt, maar toen de waardevolle bomen geveld waren, vertrokken de houtbedrijven en droogden de inkomsten op. Sindsdien leeft het dorp in armoede, dus toen de Mennonieten zeven jaar geleden hun opwachting maakten, waren ze van harte welkom.

Ook Medelu Saldaña, die een vergeefse gooi deed naar het burgemeesterschap in zijn dorp, was blij met hun komst. Hij wierp zich op als hun officiële vertegenwoordiger. “De mennonieten zijn harde werkers en brengen geld in het laatje. Ze betalen voor het transport van hun goederen, ze doen boodschappen in onze winkels en eten in onze restaurants.”

Saldaña vertelt hoe de dorpelingen tien jaar geleden de zakken rijst van de rivier op hun rug naar het dorp brachten. Maar nu hebben ze kleine vrachtwagens en tuktuks. Dat is volgens hem wat iedereen wil: economische voorspoed. De wijze waarop de mennonieten de grond ontginnen, dwingt respect af. Daar kunnen de dorpelingen met hun machetes en hakbijlen niet tegenop.

Illegale ontbossing en bezetting van inheems grondgebied

Op het ministerie van milieu in Lima schuift openbaar aanklager Julio Guzman de stapels onderzoeken in zijn krappe kantoortje opzij. Deze zaak heeft zijn speciale aandacht. “De mennonieten worden verdacht van illegale ontbossing, bezetting van inheems grondgebied en verandering van grondgebruik zonder vergunning”, legt hij uit.

Op een whiteboard tekent Guzman met groene stift bomen op een vierkantje. “Ook al is de grond van jou, dan nog heb je een vergunning nodig om de bomen die erop staan, te mogen kappen. In Peru kan niemand zomaar bos kappen, dat is bij wet verboden.” Verontwaardigd voegt hij eraan toe: “En weet je wat ze zeggen? We hebben de grond gekocht, maar er stonden geen bomen op. Maar we hebben de satellietbeelden van de voorgaande jaren erbij gehaald en alles bekeken, jaar voor jaar, maand voor maand, week voor week, en álle ontbossing heeft plaatsgevonden na hun komst.”

Sinds 2015 wordt het Amazonewoud met geavanceerde satellietsystemen gemonitord. Zo kan precies worden vastgesteld waar, wanneer en op welke schaal er ontbossing plaatsvindt. Volgens Guzman kappen de mennonieten ook oerbos.

7000 hectare regenwoud vernietigd

Matt Finer, directeur van MAAP, het monitoringsysteem van de Amazone, laat via de mail weten dat de schade die de mennonieten in Peru aanrichten, enorm is. “Deze groep is een van de belangrijkste veroorzakers van georganiseerde, grootschalige ontbossing in de geschiedenis van de Peruaanse Amazone.” Volgens Finer hebben ze in een paar jaar tijd 7000 hectare regenwoud vernietigd, vooral in de kolonies bij Tierra Blanca.

De mennonieten zijn van oorsprong volgelingen van Menno Simons, een katholieke priester uit Friesland, die zich uit onvrede met de kerk bekeerde tot het anabaptisme. Conflicten met overheden maakten dat de volgelingen zich over de wereld verspreidden. Zo’n honderd jaar geleden kwamen ze in Latijns-Amerika terecht, waar ze zich het liefst op veilige afstand van de moderne wereld vestigden, op plekken waar ze ongestoord volgens hun eigen regels konden leven.

De McGill-universiteit in Canada deed in 2020 onderzoek en berekende dat er in heel Latijns-Amerika 214 mennonieten-kolonies zijn, verspreid over negen landen, die samen meer dan 4 miljoen hectare grond bezitten, een gebied zo groot als Nederland. Als ze zich ergens niet meer thuis voelen of er is te weinig grond voor hun kinderrijke gezinnen, gaan ze op zoek naar een ander land en beginnen opnieuw. Na Peru willen ze zich nu ook in Suriname vestigen. Er zijn onderhandelingen gaande met de Surinaamse regering, maar de mogelijke komst van de mennonieten stuit op veel weerstand onder de bevolking.

Voor de conservatieve kolonisten die naar Peru kwamen, leek Tierra Blanca een uitgelezen plek. Het dorp is alleen per boot te bereiken, veertien uur varen over de Ucayali-rivier. Een gehucht van drie straten met zo’n 3000 inwoners, ingesloten door het bos waar de apen door de bomen slingeren. Een uur rijden van het dorp konden ze volop land kopen. Ze legden een brede zandweg aan en transformeerden de jungle in een weids landschap van sojavelden, weilanden en boerderijen.

Reusachtige borden eten

In het restaurant van de kleine señora Maricela is het een komen en gaan van mennonieten. ’s Morgens rijden ze met paard en wagen naar Tierra Blanca om hun families te bellen of om zaken te doen. De jonge mannen uit Wanderland en Österreich gaan met kaas en eieren langs de deuren. Benjamin uit Providencia probeert in het winkeltje een onderdeel voor zijn tractor te bestellen. Abraham is op zoek naar voer voor zijn kippen. De vrouwen wachten in het restaurant. Verlegen verschuilen ze zich achter de brede rand van hun witte hoeden, Spaans spreken ze nauwelijks. De donkere geplooide jurken vallen over hun brede heupen tot aan de kuiten.

Als het eten op tafel komt, gaan de hoeden op de grond en volgt een kort gebed. Daarna werken de vrouwen reusachtige borden eten naar binnen, weggespoeld met liters Coca-Cola, en kluiven de grote witte mannen de kippenpoten af. Het is hun enige uitje.

In de kolonie werken de mannen op het land en doen de vrouwen het huishouden. De kinderen krijgen op hun eigen scholen onderwijs in Plautdietsch en als ze 12 zijn, gaan ze aan het werk op de boerderij. Internet en televisie zijn verboden, net als mobiele telefoons en auto’s. Moderne technologie houden ze zo veel mogelijk buiten de deur. Alleen de machines die ze hebben meegenomen om het land te bewerken, zijn geoorloofd. Daarmee kunnen ze snel en effectief werken. “Een boer kan per dag 1 tot 2 hectare bos omhakken. Als het hout droog is, moet je het verbranden, daarna moet je het terrein leegmaken en nog een keer verbranden, dat is een hoop werk”, zegt Dyck, terwijl hij zijn kleine werkhanden onder de blauwe bretels schuift.

Zijn zonen kijken vanuit de hooischuur nieuwsgierig toe. Op het erf zit een felgekleurde papegaai in een kooi. Die werd gevangen genomen toen zijn vroegere huis werd vernietigd. “We willen soja, mais en rijst planten, om de beurt, het hele jaar door”, zegt Dyck. Tot nu toe heeft hij van zijn 40 hectare 25 hectare bewerkt, maar als het aan hem ligt, wordt dat binnenkort meer. “Wij zijn boeren, ons leven bestaat uit hard werken, bidden en de Bijbel lezen. God alleen weet wat er gaat gebeuren; we vragen de hulp van God en nada mas.”

‘Omhakken is nodig om te zaaien’

Dycks tweede man Peter Elias, streeft naar 20 hectare soja en 10 hectare mais. Daarnaast heeft hij kippen en koeien. Elias, die eruitziet als een fris gewassen Amerikaanse cowboy, snapt niet waarom ontbossen slecht zou zijn. “Omhakken is nodig om te zaaien en koeien te houden. Als we niet kunnen zaaien, hoe moeten we dan eten?” Elias en Dyck geloven niet in klimaatverandering. Het zijn volgens hen de milieuactivisten die dwarsliggen; die betalen om het bos te laten staan. Elias wil zelfs nog meer bos kopen, een kolonie van 3000 hectare, dat lijkt hem wel wat. In de kolonie wordt al een grotere kerk gebouwd, met het oog op nieuwkomers.

De openbaar aanklager op het ministerie van milieu schudt zijn hoofd. “Als we ze hun gang laten gaan, dan verliezen we de Amazone.” Volgens Julio Guzman is het twee voor twaalf. Als de temperatuur hier 2 graden stijgt, heeft dat volgens hem veel grotere gevolgen dan op andere plekken in de wereld; dan verandert het complete ecosysteem. “De sneeuw in de Andes is al aan het smelten”, waarschuwt hij.

Peter Dyck hoopt dat het probleem over de grond snel wordt opgelost. Hij heeft zijn hele bezit in zijn bedrijf geïnvesteerd en na zes jaar is het nog steeds sappelen. De grond moet bewerkt worden met gif en kunstmest, anders groeit er niks, de afzet van producten is kostbaar zonder weg naar de bewoonde wereld en de overheid zit hem op zijn nek. “Als ik het van tevoren had geweten, was ik nooit naar Peru gekomen.” Maar voor Peter Dyck en zijn kolonie is er geen weg meer terug, want het geld is inmiddels op.

In augustus 2024 komt de eerste zaak voor, belooft aanklager Guzman. De zaak van de mennonieten heeft prioriteit. Er liggen veel zaken op zijn bureau van boeren die 3 of 4 hectare hebben gekapt, maar hier gaat het over 4000, 5000, 10.000 hectare. “Als het om impact gaat, is het alsof je in één keer 10.000 kleine zaken te pakken hebt”, vertelt hij. “Het is een kwestie van tijd voordat ze zullen moeten vertrekken en alles verliezen wat ze hebben geïnvesteerd.”

Bron: https://www.trouw.nl/buitenland/deze-groep-christenen-blijft-maar-illegaal-kappen-in-het-regenwoud-dit-was-niet-de-afspraak~b4c037fc/

More
articles