CENTRALE BANK MOET VERLIEZEN TONEN

Jaarverslag 2020 volgens IFRS

De Centrale Bank van Suriname (CBvS) heeft 14 november jl. haar jaarverslag over het boekjaar 2020 gepubliceerd. Dat is ruim twee jaar te laat, want het verslag moet volgens de Bankwet 1956 binnen zes maanden na afloop van het boekjaar worden opgemaakt. Volgens de CBvS is de vertraging veroorzaakt door bijzondere omstandigheden, die veelal buiten haar invloedssfeer liggen, maar dat is natuurlijk geen geldig excuus. Een centrale bank moet zich gewoon aan de regels houden en als toezichthouder op financiële ondernemingen het goede voorbeeld geven. De jaarrekening over 2020 is voor het eerst volgens de International Financial Reporting Standards (IFRS) opgemaakt. Daardoor geven de cijfers een beter beeld van de resultaten en de financiële positie, en kan de CBvS de grote verliezen van de afgelopen jaren niet langer wegmoffelen als vorderingen op de staat. De externe accountant onthoudt zich om meerdere reden van een oordeel over de cijfers.

Bij eerste toepassing van IFRS moeten ook de cijfers over het voorgaande boekjaar, in dit geval 2019, volgens IFRS worden opgemaakt. Daaruit blijkt dat de CBvS in het verleden onder niet-gecodificeerde verslaggevingsregels, een zeer geflatteerd, in feite onjuist en misleidend, beeld heeft geschetst over de resultaten en het eigen vermogen. Het eigen vermogen per 1 januari 2019 wordt onder IFRS met maar liefst SRD 2,8 miljard verlaagd en het resultaat over 2019 met SRD 2,3 miljard, een correctie van in totaal een duizelingwekkend bedrag van ruim SRD 5 miljard. Dit betreft voornamelijk de afwaardering van de vorderingen op de staat vanwege verminderde kredietwaardigheid en achterstallige betaling van rente en aflossing. Het resultaat over 2020 is dan weer verrassend goed te noemen, namelijk een winst van ruim SRD 2,2 miljard. Laten we nagaan waar dit goede resultaat plots vandaan komt.

Een belangrijke oorzaak van de grote verliezen in de afgelopen jaren is het misbruik dat de CBvS heeft gemaakt van de kasreserves in vreemde valuta en termijndeposito’s van de algemene banken. Met allerlei drogredenen heeft de CBvS de algemene banken er destijds van overtuigd dat het beter was om ook de kasreserves in vreemde valuta bij de CBvS onder te brengen. Niet lang daarna werden deze middelen en de termijndeposito’s misbruikt voor transacties voor en door de overheid. U herinnert zich de ‘aardappelen en uien’. Door deze transacties ontstonden grote vorderingen van de CBvS in SRD op de staat Suriname. Daartegenover staan de schulden van de CBvS in USD en EUR aan de algemene banken. Door de grote waardedaling van de SRD leed de CBvS enorme koersverliezen op deze open valutapositie. Met een knullige verwijzing naar wet- en regelgeving die er niet in zou voorzien dat de CBvS een negatieve reserve verantwoordt, werden de verliezen doodleuk verstopt als vordering op de staat. Zo bleef het eigen vermogen positief, terwijl de CBvS al jaren technisch failliet is en op de been wordt gehouden door de kasreserves van de algemene banken.

De CBvS meldt dat in mei 2020 een leenovereenkomst is aangegaan met de algemene banken voor de door de CBvS misbruikte kasreserves en termijndeposito’s van in totaal USD 140,7 miljoen en EUR 40,2 miljoen. De lening heeft een rentevoet van 6,76% per jaar en een looptijd van acht jaar. De CBvS draagt nog steeds het valutarisico van deze schuld. Een belangrijke voorwaarde van de algemene banken was de ‘ringfencing’ van de resterende kasreservemiddelen van de banken als deel van de internationale reserves.

De CBvS meldt bijna terloops dat de grote valutakoersverliezen in 2020 zijn gecompenseerd door het terugdraaien van de voorziening voor kredietrisico’s, voornamelijk op de staat, van per saldo SRD 3,4 miljard. Het aanvankelijke verlies over 2020 is omgeslagen naar een winst van SRD 2,2 miljard. Maar … is de staat in 2020 ineens kredietwaardig geworden? In 2023 wordt nog hard gewerkt aan de herstructurering van de schulden van de staat en daarbij wordt een flinke korting (‘haircut’) bedongen. Waarom zou de CBvS haar vorderingen op de staat, die van kredietbeoordelaars de junkstatus heeft gekregen, wel kunnen innen? De CBvS en de staat hebben weer onderhandeld over de schulden van de staat.  Partijen zijn per 28 april 2020 een nieuwe leenovereenkomst aangegaan, de ‘Geconsolideerde Staatsschuld IV’, groot SRD 8,5 miljard.  De CBvS licht toe dat de belangrijkste correctie op het resultaat over 2019 door IFRS de afwaardering van vorderingen in SRD vanwege verwachte kredietverliezen betreft. Daartoe behoren prominent de vorderingen op de Staat. Deze afwaarderingen van de vorderingen op de staat zijn in 2020 grotendeels teruggedraaid, volgens de CBvS omdat de vorderingen voor hun historische boekwaarden zijn opgenomen in de nieuwe geldlening aan de staat d.d. 28 april 2020.

Volgens de CBvS moet de lening ‘Geconsolideerde Staatsschuld IV’ worden beschouwd als een nieuwe lening, omdat de voorwaarden rond de ingebrachte overige vorderingen significant zijn gewijzigd op de punten van rente en looptijd. Ook zouden de zekerheden zijn verbeterd. Volgens de CBvS is de nieuwe lening niet in default en is het kredietrisico sinds eerste waardering niet significant gestegen. Tot zekerheid van al hetgeen de staat op grond van deze overeenkomst schuldig is of wordt aan de CBvS, cedeert de staat:

  • Zijn recht op de dividenden van Staatsolie vanaf 28 april 2021;
  • zijn recht op huidige en toekomstige winsten van de CBvS, tot maximaal de hoofdsom van de lening verhoogd met de gecumuleerde rente;
  • de royalty-opbrengsten van Grassalco.

Dat zijn naar mijn mening geen goede argumenten voor de vrijval van de voorzieningen, maar kennelijk woog de behoefte aan een mooi resultaat over 2020 bij de directie en de commissarissen zwaarder. Herstructurering van een vordering maakt deze niet plots volwaardig. IFRS staat ook niet toe dat een herstructurering sec leidt tot terugneming van de voorziening. De kredietnemer moet zijn vermeende betere kredietwaardigheid eerst maar eens aantonen door voorbeeldig betaalgedrag. Daar kan zomaar eens een jaar mee gemoeid gaan. De cessie van de winsten van de CBvS is een sigaar uit eigen doos en enkele cessieovereenkomsten dienen volgens de CBvS nog geformaliseerd te worden. De zekerheden zijn dus niet perfect. Naar mijn stellige overtuiging had de CBvS de voorzieningen voor de vorderingen op de staat nog niet mogen laten vrijvallen. Dan zou het resultaat over 2020 ook fors negatief zijn geweest. Desondanks is het gerapporteerde eigen vermogen eind 2020 ruim SRD 2 miljard negatief. Gegeven de aard van de CBvS en de uiteengezette vooruitzichten van financiële ontwikkelingen, is het management van de CBvS van mening dat de continuïteit onzeker is maar niet onmogelijk, en acht zij de duurzame voortzetting van de activiteiten mogelijk. De CBvS wordt daarom in continuïteit voortgezet om welke reden de jaarrekening over 2020 is samengesteld op basis van een continuïteitsveronderstelling.  De externe accountant geeft een oordeelonthouding af bij de jaarrekening. Met andere woorden, de accountant weet niet of de jaarrekening goed is. De belangrijkste onzekerheden zijn de waardering van de vorderingen op de Staat en de waarde van de verkregen zekerheden. De cessieovereenkomsten met betrekking tot de dividenden van Staatsolie en de winsten van de CBvS zijn per dagtekening van de controleverklaring niet geformaliseerd. Als gevolg hiervan heeft de accountant niet kunnen vaststellen of de vorderingen op de staat van ruim SRD 12 miljard, goed zijn gewaardeerd. Op deze vorderingen is een voorziening voor oninbaarheid gevormd van (slechts) SRD 642 miljoen. Het kapitaal van de CBvS zou door de staat moeten worden aangevuld. Dat is voor een deel gebeurd door een bedrag te verdisconteren in de nieuwe lening ‘Geconsolideerde Staatsschuld-IV’ en dus op te nemen als vordering op de staat, maar daarmee heeft de storting niet daadwerkelijk plaatsgevonden. De CBvS voldoet dus ook op dit punt niet aan de Bankwet en evenmin aan de wettelijke kapitaaleis.

Vanwege de aard en het maatschappelijk belang, kan de CBvS niet door de leiding worden geliquideerd, noch kunnen de activiteiten worden beëindigd, hoewel de CBvS technisch failliet is. De uiteenzettingen van de accountant over de waardering van de vorderingen van de CBvS op de staat, roepen de vraag op of de accountant de jaarrekening niet had moeten afkeuren. De accountant weet niet alleen niet of de jaarrekening goed is, maar hij kan zelfs weten dat deze op onderdelen onjuist is. Het is moeilijk te verteren dat de CBvS de grotendeels ongedekte vorderingen op de staat nagenoeg volwaardig acht, terwijl de staat met grote schuldeisers onderhandelt om van een deel van hun vordering af te zien. De kredietbeoordelaars hebben Suriname nog niet de junkstatus kwijtgescholden, de CBvS wel.

Hans Moison

More
articles