Operationalisering Grondkamer

Resumé:

Bij de landhervormingswetgeving van 1982, is het Decreet Grondkamer in werking getreden. De Grondkamer is echter nooit geoperationaliseerd. De benoeming van voorzitter en leden heeft tot nu toe niet heeft plaatsgevonden.

In de praktijk blijkt dat de grondgebruiker bescherming nodig heeft, zowel tegen particulieren als tegen de overheid. Deze bescherming wordt geboden door de Grondkamer. Deze moet in bepaalde gevallen goedkeuring geven aan (onderhandse) overeenkomsten betreffende onroerende goederen. De bedoeling hiervan is om onredelijke toestanden (corruptie) te voorkomen. Met de toetsing van overeenkomsten wordt voornamelijk het algemeen belang gediend.

In 1982 heeft de toenmalige regering de zgn. Landhervor-mingswetgeving gemaakt, bestaande uit veertien wetsproducten. Of deze wetgeving als een coherent geheel be-schouwd moet worden, is niet helemaal duidelijk. Wel staat vast dat ze allemaal op de een of andere wijze aan elkaar gerelateerd waren. Feit is dat tot op heden niet de gehele regelgeving van 1982 is geoperationaliseerd. Er zijn weleens geluiden waargenomen van een verminkte invoering.

Uit de Nota van Toelichting (NvT) kan de conclusie worden getrokken, dat het de bedoeling was dat alle wetsproducten op hetzelfde tijdstip in werking zouden treden. Ze zijn allemaal gedateerd 15-6-1982 en in de slotbepaling staat als datum voor de inwerkingtreding vermeld: 1-7-1982, dus formeel reeds vanaf die datum in werking.

De praktijk heeft echter uitgewezen dat bepaalde decreten inderdaad geoperationaliseerd zijn, maar dat zulks niet bij allemaal het geval is. Zo is het Decreet Grondkamer (L4), dat in dit artikel aan de orde komt, nimmer geoperationaliseerd.

De Grondkamer is ingesteld bij Decreet van 15-6-1982. De vraag rijst, waaraan het niet operationaliseren ervan ligt. Gaat het om het ontbreken van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten of zijn er andere (politieke) redenen?

Taken Grondkamer

  1. De belangrijkste taak is volgens de NvT de bescherming van de particuliere belangen van de grondgebruiker, zowel tegen de overheid als tegen de particuliere grondbezitters. Dit houdt een stuk rechtsbescherming van de grondhuurder in.
  2. Adviseren van de minister inzake verlenging van het recht van grondhuur

Bij het verstrijken van de termijn waarvoor het recht van grondhuur is verleend, eindigt dit recht. In dat geval heeft de grondhuurder het recht van verlenging met een gelijke termijn, tenzij niet meer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan of het algemeen belang zich daartegen verzet. Verlenging kan geweigerd worden, indien de minister, de Grondkamer gehoord, terugkeer in de boezem van de Staat wenselijk acht.

  1. Vaststelling schadeloosstelling indien een minnelijke overeenstemming niet wordt bereikt

Het recht van grondhuur kan vervallen verklaard worden vanwege de desbetreffende minister, indien de grond waarop het recht rust, benodigd is voor de openbare dienst of voor enig doeleinde van algemeen nut. De grondhuurder heeft in dit geval recht op een schadeloosstelling voor de door hem aangebrachte beterschap. De schade wordt indien een minnelijke overeenstemming niet wordt bereikt, vastgesteld door de Grondkamer.

  1. Overeenkomsten en hun toetsing

In artikel 18 wordt gesteld, dat de overeenkomsten met betrekking tot gronden voor bebouwing of voor landbouw of andere doeleinden in huur, in gebruik of enig ander persoonlijk recht, alsmede overeenkomsten tot wijziging van zodanige overeenkomsten, schriftelijk moeten worden aangegaan en als zij niet aan de goedkeuring van de mi-nister zijn onderworpen, zij de goedkeuring van de Kamer behoeven.

De bedoeling van dit artikel is volgens de NvT, het voorkomen van mogelijke ‘’onredelijke toestanden”. Wat met dit laatste bedoeld wordt, is niet geheel duidelijk, maar naar mijn mening, wordt bedoeld het voorkomen van corruptie.

Dit houdt in dat de toetsing niet zo zeer strekt tot de bescherming van de belangen van de beschikkingsbevoegde over de grond en grondgebruiker, maar voornamelijk het algemeen belang dient.

Duidelijkheidshalve stelt de NvT dat bij overeenkomsten waarbij een zakelijk recht wordt gevestigd de notaris, ten overstaan van wie die akte wordt opgemaakt zorg draagt voor redelijke toestanden met betrekking tot het grondgebruik zodat deze overeenkomsten buiten de werking van artikel 18 vallen.

Hieruit moet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever is dat overeenkomsten die bij notariële akte zijn aangegaan, niet de goedkeuring van de minister of de Grondkamer behoeven. Het gaat mijns inziens om de zgn. onderhandse akten die door partijen zonder tussenkomst van een notaris zijn opgemaakt. Het is echter ook mogelijk de wet zodanig uit te leggen dat de goedkeuring voor alle onderhandse akten vereist is, ook al zijn deze door tussenkomst van een notaris opgemaakt.

Het verschil tussen een authentieke (notariële) akte en een onderhandse akte, ligt voornamelijk in de vorm waarin deze is opgemaakt. Ter verduidelijking: een notariële akte heeft als aanhef: Heden, ……………… verscheen voor mij, mr…………., notaris in Suriname, residerende te Paramaribo…………, terwijl een onderhandse akte begint met: de namen van de partijen (de ondergetekenden).

Bij een onderhandse akte kunnen de handtekeningen wel gelegaliseerd worden door een notaris, maar het blijft een onderhands stuk.

Maar het belangrijkste argument voor het inwerking doen treden van de Grondkamer is het completeren van de landhervormingswetgeving.

Oordelen over geschillen (semirechtspraak)

Voorts zijn aan de Grondkamer naast adviserende ook (se-mi-)rechtsprekende bevoegdheden gegeven bij geschillenoplossing. In de wet wordt wel duidelijk aangegeven dat onder geschil niet verstaan wordt een rechtsgeschil. Dit laatste is uitsluitend aan het oordeel van de rechterlijke macht onderworpen. In dit verband wordt opgemerkt dat de Kamer geen deel uitmaakt van de rechterlijke macht en dat voor de leden ook geen juridische opleiding vereist wordt.

Gelet op de aard van de werkzaamheden van de Kamer en de ter zake vereiste deskundigheid, wordt met klem aanbevolen dat tenminste de voorzitter van de uit drie leden bestaande Kamer, een voltooide juridische opleiding moet hebben met privaatrecht als onderdeel daarvan en ervaring in de rechtspraktijk (rechterlijke macht, advocatuur of notariaat) van tenminste acht jaar.

Ook wordt dringend aanbevolen de Grondkamer te doen bijstaan door een administratieve entiteit met deskundig personeel bij voorkeur met griffie-ervaring.

In de processen met betrekking tot de fraude bij de Centrale Bank, is door de rechtspraak beslist dat ook al zijn de in de desbetreffende wetgeving genoemde organen niet ingesteld, het ging daarbij om de Anti-corruptiecommissie, de wet voor het overige wel toegepast moet worden. De vergelijking met de Grondkamer gaat niet helemaal op, aangezien de wet uitsluitend over het instellen van een grondkamer en zijn bevoegdheden gaat. Maar de boodschap is wel dat indien een wet in werking is getreden, het niet van behoorlijk bestuur getuigt indien operationalisering ervan niet plaatsvindt.

door Carlo Jadnanansing

 

More
articles