GEEN GOEDE ONTWIKKELING

Er heersen spanningen tussen het bestuur van de Surinaamse Politie Bond (SPB), dat uit zeer jonge ambtenaren bestaat en de minister van Justitie en Politie, Mr. dr. Jennifer van Dijk-Silos. Dat er fricties zijn tussen de bewindsvrouw en de politiebond, kwam al eerder tot uiting en wel met betrekking tot een werkrooster voor politieagenten dat volgens de bond moest worden aangepast. Daar is uiteindelijk een gulden middenweg voor bewandeld. Of dat nieuwe werkrooster helemaal vlekkeloos werkt, weten wij niet, maar dat er spanningen zijn geweest met betrekking tot deze kwestie, staat als een paal boven water. Gisteren ging het dan ook weer de verkeerde kant op met betrekking tot bevorderingen bij het Korps Politie Suriname (KPS). Een aantal agenten kwam niet in aanmerking voor bevordering en zou met name niet door een sporttest heen zijn gekomen. De bond besloot het opleidingscentrum met de niet-bevorderde leden demonstratief te verlaten en dat ter schoffering van de minister, de huidige korpsleiding, de procureur-generaal en overige genodigden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de minister van Justitie en Politie naar aanleiding van het gedrag van de SPB en de ontevreden leden, achteraf wel het achterste van haar tong liet zien. Het bestuur van de politiebond zit niet zo lang aan en moet nog naam maken. Echter dienen deze jongelingen wel te begrijpen dat je een minister met egards dient te behandelen en dat het demonstratief weglopen op de bijeenkomst in het opleidingscentrum daar niets mee te maken heeft en als zeer onfatsoenlijk en laakbaar moeten worden aangemerkt. Een berispelijke houding aannemen tegenover je meerdere, zal niet bijdragen tot goede verhoudingen binnen het korps enerzijds en ook niet tot een goede relatie tussen bond en minister anderzijds en dat dient het nieuwe jonge bestuur van de SPB goed te weten. Van meet af aan heeft dit bestuur zich naar verluidt niet al te hoffelijk opgesteld tegenover de korpsleiding en gevoeglijk ook niet tegenover de minister. Een coulantere houding ten opzichte van de korpsleiding en de minister van Justitie en Politie, zou namelijk kunnen resulteren in betere voorzieningen voor het KPS en ook de werkomstandigheden van de politieambtenaren kunnen verbeteren. In Suriname zegt men nog altijd: ‘Tranga ne tyari kaw go na ping’. Het is dan ook van belang dat men via dialoog en zonder polarisatie tot vergelijk komt en dat allemaal in het belang van een beter functionerend KPS, want daar heeft vooral de gehele gemeenschap dringend behoefte aan.