De kantonrechter heeft op dinsdag 30 juni 2026, alle zeven politieagenten die terechtstonden in de strafzaak rond het incident in Pikin Saron, vrijgesproken van de volledige tenlastelegging. De verdachten A.R., J.K., K.L., S.W., K.v.B., S.d.J. en R.W. werden vervolgd voor doodslag, zware mishandeling met de dood ten gevolge en dood door schuld.
Volgens de kantonrechter ontbreekt ten aanzien van de verdachten A.R., J.K., K.L. en S.W. het wettig en overtuigend bewijs dat zij zich aan de ten laste gelegde feiten schuldig hebben gemaakt. Bij de beoordeling heeft de rechter onder meer nauwlettend gekeken naar de verklaringen van de verdachten en getuigen, de bevindingen van de patholoog-anatoom, de reconstructie op de plaats van het incident en de overige omstandigheden van de zaak. De kantonrechter oordeelde dat niet is komen vast te staan, dat het slachtoffer Martinus Wolfjager door een politiekogel is geraakt of door de politie is doodgeschoten.
Uit het onderzoek is gebleken dat tijdens het incident over en weer werd geschoten, waardoor niet met zekerheid kon worden vastgesteld, waardoor het slachtoffer om het leven is gekomen.
Ook het verwijt dat de agenten het slachtoffer niet tijdig medische hulp hebben verleend, hield volgens de rechter geen stand. Uit de behandeling van de zaak bleek dat de politie het bos, waar het slachtoffer uiteindelijk werd aangetroffen, pas mocht betreden, nadat daarvoor toestemming was gegeven door hogerhand.
Ten aanzien van de verdachten K.v.B., S.d.J. en R.W. stelde de kantonrechter vast dat sprake was van dood door schuld. De rechter achtte dit feit niet strafbaar, omdat de agenten handelden in een noodsituatie. Daarbij werd meegewogen dat zij uit zelfverdediging optraden, binnen de grenzen van hun wettelijke bevoegdheden bleven en handelden overeenkomstig het politiehandvest. Om die reden werd ook aan deze drie verdachten, geen straf opgelegd.
Het Openbaar Ministerie had op 3 februari 2026 tegen alle verdachten een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaar geëist voor medeplegen van zware mishandeling met de dood ten gevolge. Voor de aanklacht van doodslag had de officier van justitie vrijspraak gevorderd. Volgens het Openbaar Ministerie was geen sprake van noodweerexces.
De raadslieden van de verdachten hadden de kantonrechter op 10 maart 2026 verzocht alle zeven verdachten integraal vrij te spreken. Met de uitspraak van 30 juni heeft de kantonrechter de verdachten uiteindelijk vrijgesproken van de volledige tenlastelegging, waarbij voor drie van hen wel werd vastgesteld dat sprake was van dood door schuld, maar dat dit onder de gegeven omstandigheden, niet strafbaar was.

