Werldwijd gingen vorig jaar 5,8 miljoen vluchtelingenkinderen niet naar school. Het is een schrikbarend aantal, maar voor Suriname zou het vooral stof tot nadenken moeten zijn. Want hoewel Suriname geen land is dat met vluchtelingenstromen van dezelfde omvang als veel andere landen te maken heeft, kennen wij wel degelijk kinderen die tegen barrières aanlopen, wanneer zij onderwijs willen volgen. Denk aan kinderen van Cubaanse, Braziliaanse en andere buitenlandse gezinnen die hier wonen. Voor sommige van deze kinderen, is een plek op een school helemaal niet vanzelfsprekend. Niet alleen omdat scholen vol zitten, maar ook omdat taal een obstakel vormt. Een kind dat thuis Spaans of Portugees spreekt, komt terecht in een onderwijssysteem waarin Nederlands de voertaal is. Spaans en Portugees worden op de lagere school niet structureel als ondersteuning aangeboden.
Dan kunnen we natuurlijk zeggen: ze wonen in Suriname, dus ze moeten zich aanpassen. Maar onderwijs is geen beloning voor wie toevallig de juiste taal spreekt. Het is een basisvoorziening. Als kinderen hier wonen en deel uitmaken van onze samenleving, moeten wij ons ook afvragen, hoe wij ervoor zorgen dat zij daadwerkelijk kunnen deelnemen aan het onderwijs. En dan hebben we het nog niet eens over de problemen die alle kinderen in Suriname raken. Al jarenlang kampen scholen met een tekort aan schoolmeubilair. Klassen zijn overvol. Door het vertrek van leerkrachten wordt de druk op degenen die blijven, steeds groter. Waar een klas idealiter rond de 25 leerlingen telt, zitten soms 40 kinderen of meer bij elkaar. Veertig kinderen in één klas is geen normale situatie. Het is een noodsituatie die we langzaam zijn gaan normaliseren.
Een leerkracht kan onmogelijk dezelfde individuele aandacht geven aan 40 kinderen als aan 25. Wie extra ondersteuning nodig heeft, raakt daardoor gemakkelijk verder achter. Voor een kind dat bovendien de Nederlandse taal nog moet leren, wordt de achterstand alleen maar groter. Het probleem is dus niet uitsluitend dat sommige kinderen de school niet bereiken. Het probleem is ook wat er gebeurt, nadat ze eindelijk in de klas zitten. Het UNHCR-rapport laat zien dat vooral de overgang naar het middelbaar onderwijs, een groot knelpunt vormt. Ook dat zou in Suriname stof tot nadenken moeten zijn. We praten vaak over het aantal kinderen dat wordt ingeschreven, maar veel minder over de vraag of ons onderwijssysteem voldoende capaciteit en kwaliteit heeft om kinderen daadwerkelijk door hun schoolloopbaan te begeleiden. Een kind hoeft geen vluchteling te zijn om tussen wal en schip te vallen. Misschien is het daarom tijd om niet alleen naar de kinderen te kijken die hun school niet bereiken, maar ook naar het systeem dat hen moet opvangen. Waar blijven de leerkrachten? Waar blijven de schoolbanken? Waar blijft de capaciteit? En vooral: waarom worden problemen die al jaren bekend zijn, telkens opnieuw als een verrassing gepresenteerd?
Want eerlijk is eerlijk: het ministerie van Onderwijs heeft inmiddels genoeg huiswerk gekregen. Het tekort aan leerkrachten is geen nieuw probleem. Overvolle klassen zijn geen nieuw probleem. Het tekort aan schoolmeubilair is geen nieuw probleem. De taalbarrière voor anderstalige kinderen is evenmin gisteren ontstaan. Het huiswerk ligt dus al jaren op tafel. Misschien moet het ministerie eerst maar eens beginnen met het maken van zijn eigen huiswerk. Want als de structurele problemen in het onderwijs daadwerkelijk waren aangepakt, zouden veertig kinderen in één klas, kinderen zonder passende begeleiding en scholen die voortdurend met tekorten kampen vandaag misschien geen terugkerend hoofdstuk meer zijn. Maar blijkbaar zijn sommige lessen moeilijker te leren dan andere.


