De verkoop van kavels in verschillende delen van Suriname, neemt toe. Van Paramaribo-Noord en -Zuid tot Wanica en Commewijne, verschijnen diverse woningbouwprojecten en worden nieuwe woongebieden ontwikkeld. Op zichzelf is dat een teken van ontwikkeling. Mensen willen bouwen, gezinnen zoeken een woning en projectontwikkelaars zien kansen. Maar ontwikkeling is meer dan het uitzetten en verkopen van kavels.
Een perceel is pas echt onderdeel van een leefbare woonwijk, wanneer er ook toegang is tot basisvoorzieningen. En daar wringt de schoen al jaren. Want wie zorgt ervoor dat de infrastructuur voor elektriciteit en drinkwater gelijke tred houdt met de groei van het aantal woningen? Die vraag is niet uit de lucht gegrepen. De Energie Bedrijven Suriname (EBS) hebben momenteel al te maken met een elektriciteitsvoorziening die onder druk staat. In verschillende buurten wordt al geruime tijd met loadshedding gewerkt. Tegelijkertijd blijft ook de drinkwatervoorziening een terugkerend aandachtspunt. Op momenten dat de vraag groter is dan wat het systeem kan leveren, ervaren huishoudens dat rechtstreeks. Tegen die achtergrond is het logisch om vooruit te kijken. Want wat gebeurt er wanneer de woningen in de nieuwe verkavelingsprojecten eenmaal zijn gebouwd en de bewoners hun aansluitingen aanvragen? Is de capaciteit van het elektriciteitsnet daar voldoende voor? Zijn transformatoren, kabels en andere voorzieningen berekend op de toekomstige vraag? En beschikt de Surinaamsche Waterleiding Maatschappij (SWM) over voldoende capaciteit om deze nieuwe gebieden structureel van drinkwater te voorzien? Het gaat daarbij niet alleen om de projecten die vandaag worden gebouwd. Het gaat om de optelsom. Elke nieuwe woning betekent immers een extra aansluiting. Een huishouden gebruikt elektriciteit, water en op termijn ook steeds meer apparaten die de vraag naar energie verder verhogen. Als honderden of duizenden woningen bijkomen, kan dat niet worden beschouwd als een reeks afzonderlijke aansluitingen. Het betekent een structurele uitbreiding van de vraag. Wij zijn van mening dat juist daar de planning zou moeten beginnen vóórdat de eerste woning wordt gebouwd.
Een opvallend voorbeeld is Charlesburg. In delen van deze wijk is er, naar verluidt, al jarenlang geen waterleiding. We hebben het hier niet over een afgelegen nieuw ontwikkelingsgebied, maar over een buurt in Paramaribo-Noord. Tegelijkertijd zijn er in andere delen van dezelfde omgeving grote woningbouwprojecten waar de nutsvoorzieningen wél worden aangelegd. Wij vragen ons af hoe de prioriteiten van de staatsbedrijven worden bepaald? Het is begrijpelijk dat nieuwe projecten worden voorzien van de noodzakelijke infrastructuur. Maar bestaande bewoners mogen niet het gevoel krijgen dat nieuwe projecten sneller van elektriciteit en drinkwater worden voorzien, dan buurten die al jarenlang wachten. Daarom zouden EBS en SWM niet alleen moeten aangeven wat zij vandaag kunnen leveren, maar vooral wat hun plan is voor de komende vijf, tien en misschien zelfs twintig jaar. Welke nieuwe woongebieden zijn in beeld? Welke capaciteit is daar beschikbaar? Welke investeringen zijn noodzakelijk? Hoeveel aansluitingen kunnen de bestaande netwerken verwerken? En misschien nog belangrijker: worden woningbouwprojecten en nutsinfrastructuur gezamenlijk gepland? Want het heeft weinig zin om kavels op grote schaal te verkopen, wegen aan te leggen en woningen te bouwen om vervolgens vast te stellen dat het elektriciteitsnet of de waterleiding de extra vraag niet aankan. Dan bouwen we letterlijk vóór de infrastructuur uit.Suriname staat voor een forse woningbouwopgave en nieuwe woongebieden kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het land. Maar ontwikkeling moet wel duurzaam en planmatig gebeuren. Een woning zonder betrouwbare elektriciteit of een woning waar bewoners jarenlang op een wateraansluiting moeten wachten, is uiteindelijk maar half af. De vraag is of onze nutsbedrijven klaar zijn voor de mensen die er straks gaan wonen.


