Gisteren herdacht Suriname de vijftien mannen die op 8 december 1982, in het Fort Zeelandia, zijn vermoord. Advocaat Hugo Essed verklaarde gisteren tegenover ABC Online Nieuws, dat zestig erfgenamen van de vijftien mannen die werden vermoord, deze week een civiele vordering hebben ingediend tegen de staat Suriname.
De nabestaanden, woonachtig in Suriname en Nederland, eisen volgens Essed, twee zaken: publiek eerherstel voor de slachtoffers en hun families, en schadeloosstelling voor de toegebrachte materiële en immateriële schade.
Essed zei dat voor de erfgenamen, er met de strafrechtelijke veroordeling van de daders, weliswaar een historisch hoofdstuk afgesloten is, maar er is zeker geen einde gekomen aan de maatschappelijke en morele dimensie van de Decembermoorden. “Er is recht gesproken, iets waarvan velen dachten, dat het nooit zou gebeuren. Maar daarmee is nog niet alles rechtgezet”, aldus Essed.
De erfgenamen hebben benadrukt, dat het 8 december-dossier uit meerdere lagen bestaat. Zij onderscheiden een juridisch, een maatschappelijk en een psychologisch-emotioneel aspect.
Juridisch is volgens de nabestaanden, de staat civielrechtelijk aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door de moorden. Dat betreft niet alleen materiële verliezen, maar vooral de aantasting van de eer en goede naam van de vijftien slachtoffers. “Bij niemand is vastgesteld, dat zij betrokken waren bij een coup, of samenwerkten met buitenlandse partijen. Uit onderzoek is gebleken dat de mannen in verzet waren tegen het militair gezag, maar géén couppoging voorbereidden. Die valse beschuldiging moet definitief van tafel”, stelde Essed.
De civiele zaak is inmiddels ingediend; de staat zal schriftelijk moeten reageren. Advocaten zullen de argumenten uitwerken en de rechter zal uiteindelijk uitspraak doen. Belangrijker dan juridische compensatie; geldt het maatschappelijk eerherstel. De erfgenamen vinden dat de staat een morele plicht heeft om publiekelijk afstand te nemen van decennialange verdachtmakingen tegen de slachtoffers en hun families.
“Onder het mom van ‘landverraders’ zijn nabestaanden en hun ondersteuners geïntimideerd, bedreigd en sociaal buitengesloten”, aldus Essed. “Dit heeft een diepe tweedeling veroorzaakt in de samenleving.”
Volgens Essed gelooft nog altijd een deel van de bevolking, dat de vijftien mannen een coup aan het beramen waren, terwijl een ander deel beseft, dat het brute politieke moorden waren. Daarnaast is er ook een grote groep Surinamers, die het historisch verloop slechts oppervlakkig kent. “Dat is een ernstige aantasting van ons nationaal geheugen. Het moet worden gecorrigeerd.”
Het vonnis in de strafzaak zou, volgens de erfgenamen, automatisch moeten leiden tot maatschappelijke consequenties: officiële erkenning dat de slachtoffers geen coupplegers waren.
Het derde aspect betreft het langdurige psychologische trauma bij nabestaanden en vrienden van de slachtoffers. Decennialang droegen zij het stigma van ‘landverrader’ of ‘staatsgevaarlijk element’, terwijl zij juist zochten naar waarheid en gerechtigheid. Dat stigma werkt nog altijd door.
De erfgenamen menen dat de regering een historische kans heeft, een nieuwe koers te zetten. Volgens hen kunnen eerherstel en verzoening alleen plaatsvinden, wanneer de staat publiekelijk erkent dat de mannen onterecht als coupplegers zijn bestempeld.
“Publieke verklaringen zijn noodzakelijk”, aldus Essed. “Het vonnis is erkend door de president. Daaruit volgen civielrechtelijke en maatschappelijke verplichtingen. Het is nu aan de staat om die stap te zetten.”
De advocaten sluiten een schikking met de staat niet uit, maar benadrukken dat zo’n proces formeel via de rechtbank loopt. De nabestaanden wijzen erop dat Suriname regelmatig herstelbetalingen van Nederland vraagt voor historisch onrecht. “Terecht,” zeggen zij, “want wie schade toebrengt, moet verantwoordelijkheid nemen.” Maar volgens hen, moet Suriname diezelfde morele standaard toepassen op misdaden die door Surinamers zelf zijn gepleegd.
“Het land kan een enorme stap richting een betere toekomst zetten door deze eisen in te willigen. Niet uit rancune, maar uit rechtvaardigheid”, aldus Essed.


