Suriname staat op een belangrijk kruispunt. Met de oprichting van de Raad Internationale Sancties (RIS), wil Suriname zich scharen onder de staten die internationale verplichtingen serieus nemen. De RIS coördineert en voert het beleid uit rond sancties die voortvloeien uit resoluties van de Verenigde Naties, de Europese Unie en andere multilaterale instellingen. Op papier is dat een krachtig signaal van verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid. Maar de werkelijke vraag is of Suriname deze stap ook in de praktijk kan waarmaken.
Internationale sancties zijn veel meer dan een technische exercitie in wet- en regelgeving. Ze raken direct aan thema’s als stabiliteit, veiligheid en gerechtigheid. Sancties beperken het verkeer van goederen, diensten, financiële middelen en transport en kunnen zelfs communicatiestromen, zoals post en telecommunicatie, treffen. In de praktijk gaat het om ingrijpende maatregelen: banktegoeden bevriezen, toegang tot landen ontzeggen of vliegtuigen en schepen aan de ketting leggen. De uitvoering hiervan is bepalend voor de geloofwaardigheid van een land.
Suriname heeft met de RIS een structuur neergezet die overzichtelijk oogt. De minister van Buitenlandse Zaken formuleert het beleid, de RIS beheert de nationale sanctielijst en de procureur-generaal onderzoekt strafbare feiten rond terrorismefinanciering. Financiële dienstverleners staan onder toezicht van de Centrale Bank, terwijl de Financial Intelligence Unit niet-financiële dienstverleners in de gaten houdt. Zelfs de kansspelsector valt onder een apart toezichtsorgaan. Dit geheel aan instanties moet de garantie bieden dat sancties niet vrijblijvend zijn.
Maar daar wringt precies de schoen, want een complex bouwwerk van regels en toezichthouders is nog geen garantie voor naleving. Suriname kent een traditie van goed klinkende wetten en instituten die in de praktijk worden uitgehold door gebrekkige handhaving en politieke inmenging. De RIS loopt het risico hetzelfde lot te ondergaan als andere toezichthouders: aanwezig op papier, zwak in de praktijk. Het gevaar is dat internationale partners Suriname zullen zien als een land dat weliswaar de juiste structuren optuigt, maar tekortschiet zodra het aankomt op daadkracht. De gevolgen daarvan zijn niet abstract. Niet-naleving van sancties kan leiden tot internationale reputatieschade, economische isolatie en zelfs sancties tegen Suriname zelf. In een tijd waarin het land afhankelijk is van internationale financiële steun en investeringen, zou dat desastreus zijn.
Daarom moet de RIS meer zijn dan een coördinerend orgaan. Het moet uitgroeien tot een instrument dat symbool staat voor de keuze van Suriname om transparantie, rechtvaardigheid en verantwoordelijkheid daadwerkelijk centraal te stellen. Dat vraagt om politieke moed. Het betekent dat regeringen bereid moeten zijn om, ook wanneer het economisch of diplomatiek pijn doet, internationale sancties strikt te handhaven. Het betekent ook dat er middelen en expertise beschikbaar moeten worden gesteld, zodat toezichthouders niet alleen in naam bestaan, maar ook slagkracht hebben. Sancties zijn in die zin niet slechts een juridische verplichting, maar ook een morele lakmoesproef. Ze testen of een land bereid is principes als vrede en veiligheid boven korte termijnbelangen te plaatsen. Voor Suriname ligt hier een kans om zich positief te onderscheiden. Waar andere landen soms halfslachtig omgaan met sancties of ruimte laten voor achterdeurtjes, kan Suriname juist laten zien dat het consequent en integer handelt. Bovendien biedt dit beleid ook bescherming van nationale belangen. Door sancties serieus te nemen, verkleint Suriname de kans dat crimineel kapitaal en dubieuze spelers voet aan de grond krijgen in de economie. Daarmee wordt niet alleen de financiële sector versterkt, maar ook de diplomatieke positie van het land. In de internationale arena geldt naleving van sancties immers als een graadmeter voor betrouwbaarheid.
De RIS kan dus uitgroeien tot meer dan een verplicht instituut: het kan een symbool worden van een nieuw Suriname dat kiest voor de lange termijn, voor geloofwaardigheid en voor stabiliteit. Maar dat vraagt dat de overheid en alle betrokken instanties de moed hebben om verder te gaan dan papieren naleving.
Als Suriname werkelijk wil dat de RIS zijn werk doet, dan moet het principe van sanctienaleving verankerd worden in de politieke cultuur en in de praktijk van alle relevante sectoren. Het is tijd om te laten zien dat Suriname niet langer genoegen neemt met de schijn van integriteit, maar daadwerkelijk kiest voor een transparante en verantwoordelijke koers. De wereld kijkt mee. De RIS is de lakmoesproef die bepaalt of Suriname gezien wordt als een land dat internationale verplichtingen niet alleen onderschrijft, maar ook daadwerkelijk naleeft.


