Vaak hoor je van jongeren in Suriname die bij een callcenter werken dat zij hun werk ervaren als een ‘verkapte vorm van slavernij’. Ja, slavernij is een zwaar woord, maar wanneer werknemers in een moderne economie zich genoodzaakt voelen hun werkdag midden in de nacht te beginnen, onder voortdurende prestatiedruk staan, nauwelijks rondkomen van hun salaris en bovendien vrezen hun baan te verliezen wanneer zij ziek worden of hun rechten opeisen, is het tijd om ongemakkelijke vragen te stellen. Hoeveel vooruitgang is er werkelijk geboekt als moderne werkgelegenheid voor sommigen vooral neerkomt op overleven? Tijdens een informatiebijeenkomst van de Bond voor Alle Werkers (BvAW) en de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) werd een weinig rooskleurig beeld geschetst van de Surinaamse callcentersector. De kwalificatie van BvAW-voorzitter Gerald McIntosh, die de werkomstandigheden omschreef als een verkapte vorm van slavernij, klinkt hard. Maar de klachten die tijdens de bijeenkomst naar voren kwamen, verdienen meer dan een schouderophalen.
Suriname profileert zich graag als een aantrekkelijke bestemming voor internationale bedrijven die hun klantcontactwerkzaamheden willen uitbesteden. De sector biedt werkgelegenheid, vooral aan jongeren, en levert bedrijven een kostenvoordeel op. Dat laatste lijkt echter precies de kern van het probleem. Surinaamse medewerkers verrichten volgens de vakbonden vergelijkbaar werk voor dezelfde Nederlandse opdrachtgevers, onder vergelijkbare prestatienormen, maar ontvangen slechts een fractie van het Nederlandse uurloon. Tijdens de bijeenkomst werden bedragen van circa 16 tot 18 euro per uur in Nederland tegenover 2 tot 3,50 euro in Suriname genoemd. Uiteraard zijn de kosten van levensonderhoud en de economische omstandigheden in beide landen niet identiek. Maar dat verschil kan niet automatisch als rechtvaardiging dienen voor iedere loonconstructie. Een bedrijf dat profiteert van de inzet, taalvaardigheid en prestaties van Surinaamse werknemers, heeft ook een verantwoordelijkheid tegenover die werknemers. Goedkope arbeid mag geen verdienmodel worden waarbij vooral de werknemer de rekening betaalt. En dan zijn er de arbeidsomstandigheden. Diensten die om 03.00 of 04.00 uur beginnen, lange perioden met dergelijke roosters, agressieve klanten, voortdurende monitoring en targets die volgens de werknemers niet altijd realistisch zijn. Daarbovenop komen klachten over onbetaalde pauzes, onbetaalde inlogtijd, twee wachtdagen bij ziekte en onduidelijkheid over pensioenafdrachten en looninhoudingen. Zelfs de kwaliteit van headsets, stoelen en andere werkmiddelen werd ter discussie gesteld. Het is een opmerkelijke combinatie: werknemers moeten voortdurend presteren, maar de bescherming van hun eigen gezondheid en welzijn lijkt volgens de aangedragen ervaringen niet dezelfde prioriteit te krijgen. Een werknemer is geen machine die op een vastgesteld tijdstip wordt ingeschakeld om gesprekken af te handelen en vervolgens weer wordt uitgeschakeld. Ook achter een headset zit een mens, met een gezin, verantwoordelijkheden, een gezondheid en behoefte aan rust. Nog zorgwekkender is de gemelde angst om zich bij een vakbond aan te sluiten. Wanneer werknemers vrezen dat lidmaatschap gevolgen kan hebben voor hun dienstverband, is er meer aan de hand dan een discussie over salaris. Vakbondsvrijheid is geen gunst van een werkgever, maar een fundamenteel werknemersrecht. Dat werkgevers volgens de BvAW moeite zouden hebben met vakbondsactiviteiten op de werkvloer, roept dan ook vragen op over de ruimte die werknemers daadwerkelijk krijgen om gezamenlijk voor hun belangen op te komen.
Tegelijkertijd moet ook de vakbeweging zichzelf bewijzen. Het verzamelen van klachten en het formuleren van wensen is een begin, maar werknemers hebben uiteindelijk weinig aan een indrukwekkende wensenlijst als die niet wordt vertaald in concrete resultaten. Een bruto maandloon van SRD 30.000 tot SRD 50.000 werd tijdens de bijeenkomst als mogelijke bandbreedte besproken. Ook hogere nacht- en zondagtoeslagen, betaalde pauzes en betere pensioenafspraken kwamen aan bod. Het zijn echter nog geen vastgestelde eisen, laat staan afspraken met werkgevers. De BvAW en FNV zullen dus moeten aantonen dat zij voldoende achterban kunnen mobiliseren om daadwerkelijk met werkgevers aan tafel te komen. Want zonder een georganiseerde groep werknemers blijft de individuele medewerker kwetsbaar tegenover een onderneming die beschikt over management, juridische ondersteuning en de macht om arbeidsvoorwaarden te bepalen. Ook de werkgevers in deze sector kunnen zich niet blijven verschuilen achter het argument dat zij werkgelegenheid creëren. Werkgelegenheid is belangrijk, maar het aantal banen alleen zegt weinig over de kwaliteit ervan.
Een baan die iemand financieel onvoldoende vooruithelpt, lichamelijk uitput en psychisch onder druk zet, verdient niet automatisch het predicaat economische vooruitgang. De vraag is daarom niet of Suriname internationale callcenters moet behouden. De vraag is onder welke voorwaarden. Willen we een sector die uitsluitend aantrekkelijk is omdat Surinaamse arbeid goedkoop is, of een sector waarin werknemers een fatsoenlijk bestaan kunnen opbouwen? Wie profiteert van de internationale uitbesteding, moet ook bereid zijn verantwoordelijkheid te dragen voor de mensen die het werk daadwerkelijk uitvoeren. Anders dreigt de economische kans die de callcentersector lijkt te bieden, voor een deel van de werknemers vooral een moderne verpakking van oude ongelijkheid te blijven.

