Advocaat Derrick Veira, die de Boliviaanse mennonieten vertegenwoordigde in het kort geding tegen de Staat Suriname, heeft tegenover een lokaal medium gesteld dat de zaak deels is ingetrokken. Hij bracht rechter Robert Praag dinsdagochtend hiervan op de hoogte, nog voordat deze uitspraak had gedaan. Veira blijft echter eisen, dat de staat de proceskosten van SRD 150.000, die tijdens de rechtszaak zijn gemaakt, vergoedt.
De gedeeltelijke intrekking houdt verband met het besluit van de drie achtergebleven Boliviaanse mennonietenvrouwen en hun baby’s, Suriname te verlaten. Volgens Vei-ra hebben de vrouwen hem maandagavond, tijdens zijn bezoek aan Kraka meegedeeld, dat zij niet langer in Suriname wilden blijven. Zij wilden zich aansluiten bij hun echtgenoten, die deel uitmaakten van de groep van 57 mennonieten, die in het afgelopen weekend werd gedeporteerd.
De vrouwen en hun kinderen konden aanvankelijk niet met de groep vertrekken, omdat de baby’s, die in Suriname zijn geboren, niet over de benodigde reisdocumenten beschikten. Sharveen Koelfat, hoofdinspecteur van politie en leider van de operatie waarbij de mennonieten uit het Mazonia-gebied werden verwijderd en naar Kraka waren overgebracht, verklaarde dat de vereiste documenten, maandag in orde zijn gemaakt. De drie vrouwen zijn dinsdagavond samen met hun kinderen vertrokken.
Veira heeft vanaf de nacht van 26 op 27 oktober, toen de mennonieten uit het Mazonia-gebied werden verwijderd, met twee kortgedingen geprobeerd, de uitzetting van de groep, tegen te houden. De advocaat uitte daarbij vooral zijn ongenoegen over het feit dat hij geen toegang kreeg tot zijn cliënten, nadat zij naar Kraka waren overgebracht. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak maandag stelde Veira dat de staat er alles aan had gedaan, te voorkomen, dat hij met zijn cliënten kon spreken. Volgens hem is daarmee het recht op juridische bijstand ernstig onder druk gezet. “De staat heeft alles gedaan om mij te weerhouden met mijn cliënten te praten. Dat is desavouering van het recht. Dit is niet de wijze waarop we met het recht moeten omgaan”, benadrukte de advocaat.
Koelfat stelde daartegenover dat de politie wel bereid was Veira toegang te verlenen, maar dat nog moest worden bekeken, op welke manier dat zou gebeuren. Ook plaatste hij vraagtekens bij de vraag of Veira daadwerkelijk door de groep was aangesteld om juridische bijstand te verlenen. De raadsman sprak die bewering tegen en bleef bij zijn kritiek op het optreden van de autoriteiten. “Ik protesteer ernstig tegen wat is gebeurd. De staat is te kwader trouw bezig geweest. Iedereen die zich met het recht bezighoudt, ziet duidelijk dat deze handelingen van de staat ernstig indruisen tegen het rechtsgevoel”, aldus Veira. Hoewel de vrouwen en hun kinderen inmiddels zijn vertrokken, houdt de advocaat vast aan zijn eis dat de staat SRD 150.000 aan gemaakte proceskosten moet betalen.

