HOOGWAARDIGHEIDSBEKLEDERS EN DE KOSTEN VAN BEVEILIGING

Waar eindigt noodzakelijke bescherming en waar begint een mogelijk te ruime inzet van staatsmiddelen? Die vraag is opnieuw actueel, nu minister Harish Monorath van Justitie en Politie zegt, dat sommige VIP’s over 18 tot 21 politieambtenaren beschikken, terwijl het Korps Politie Suriname (KPS) kampt met een ernstig personeelstekort. Volgens de minister heeft het korps ongeveer 3.500 manschappen nodig, maar zijn er momenteel slechts 2.600 beschikbaar. De vraag is dan ook of de verdeling van de beschikbare politiecapaciteit nog in verhouding staat tot de veiligheidsbehoeften van degenen die worden beveiligd.

De beveiliging van hoogwaardigheidsbekleders is op zichzelf niet het probleem. De president, ministers en andere functionarissen kunnen vanwege hun werkzaamheden en verantwoordelijkheden aan specifieke veiligheidsrisico’s worden blootgesteld. Maar waar wordt de grens getrokken, wanneer ook andere functionarissen met meerdere voertuigen en beveiligingspersoneel, worden begeleid? En op basis waarvan wordt bepaald, hoeveel bescherming iemand nodig heeft? Neem bijvoorbeeld de bevelhebber van het Nationaal Leger. Dat hij leiding geeft aan een organisatie waarin discipline, opleiding en veiligheid centraal staan, betekent uiteraard niet, dat hij immuun is voor bedreigingen. Militaire training is immers niet hetzelfde als gespecialiseerde persoonsbeveiliging. Toch mag worden gevraagd op basis waarvan de omvang van zijn persoonlijke beveiliging wordt vastgesteld. Is er sprake van een concrete dreiging, of vloeit de inzet voornamelijk voort uit een algemene regeling? Ook de beveiliging van de governor van de Centrale Bank van Suriname verdient aandacht. De positie brengt grote verantwoordelijkheden met zich mee, maar betekent dat automatisch dat meerdere beveiligingsvoertuigen bij iedere verplaatsing noodzakelijk zijn? Zou in bepaalde omstandigheden één auto met chauffeur en een beveiliger niet kunnen volstaan? En wanneer is een afzonderlijke volgauto daadwerkelijk nodig? Hetzelfde geldt voor leden van De Nationale Assemblée en andere functionarissen die met beveiliging worden begeleid. Welke voorwaarden bepalen wie daarvoor in aanmerking komt? Wordt de inzet afgestemd op een individuele risicoanalyse, of is de beklede functie op zichzelf doorslaggevend? Ook de mededeling van Monorath dat oud-ministers, voormalige parlementariërs en zelfs partners en ex-partners van personen die publieke functies hebben bekleed, nog beveiliging zouden genieten, roept vragen op over de noodzaak en de duur van dergelijke voorzieningen. Het beëindigen van een publieke functie hoeft niet automatisch te betekenen dat ieder veiligheidsrisico verdwijnt, maar voortgezette beveiliging moet wel op een verdedigbare grondslag berusten.

Een hoge maatschappelijke of bestuurlijke positie kan aanleiding geven tot veiligheidsmaatregelen, maar rechtvaardigt niet automatisch dezelfde mate van bescherming voor iedereen. De aard van de functie, de concrete risico’s en de omstandigheden kunnen immers sterk verschillen. Juist daarom moet de omvang van de beveiliging periodiek worden beoordeeld. Wat ooit noodzakelijk was, hoeft dat onder gewijzigde omstandigheden niet te blijven.

Bij deze beoordeling moet bovendien verder worden gekeken dan het aantal auto’s dat op de openbare weg zichtbaar is. Een beveiligingsapparaat brengt structurele kosten met zich mee. Naast de salarissen van het personeel zijn er overuren, brandstof, onderhoud, aanschaf of vervanging van voertuigen, communicatieapparatuur, kleding, opleiding en logistieke voorzieningen. Afhankelijk van de inzet komen daar voedingsgelden en andere personeelskosten bij.

Wanneer grote aantallen politieambtenaren gedurende langere perioden beschikbaar moeten zijn voor persoonsbeveiliging, kunnen de totale uitgaven aanzienlijk oplopen. Zonder concrete begrotingsgegevens is het niet verantwoord, bedragen te noemen. Het is echter volkomen redelijk om te vragen hoeveel de staat jaarlijks aan deze voorzieningen besteedt en hoe wordt gecontroleerd, of de uitgaven noodzakelijk en doelmatig zijn.

Uiteindelijk worden deze kosten betaald uit publieke middelen. Dat geld moet eveneens worden verdeeld over onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en openbare veiligheid. Bovendien heeft de inzet van politiepersoneel een prijs die niet uitsluitend in geld kan worden uitgedrukt. Manschappen die VIP’s beveiligen, zijn op dat moment niet beschikbaar voor surveillance, noodhulp en de bestrijding van criminaliteit. Wanneer het politiekorps honderden medewerkers tekortkomt, is het noodzakelijk om kritisch te kijken naar de prioriteiten bij de verdeling van de beschikbare capaciteit.

Dat betekent niet dat beveiliging zonder meer moet worden teruggeschroefd om geld te besparen. Wanneer een concrete dreiging aanvullende bescherming vereist, kan bezuinigen onverstandig en zelfs gevaarlijk zijn. Maar het omgekeerde geldt eveneens: een uitgebreide beveiligingsinzet kan niet uitsluitend worden gerechtvaardigd met een verwijzing naar de status van de betrokken persoon. Er moet een aantoonbare relatie bestaan tussen het risico, de benodigde bescherming en de kosten.

De overheid hoeft geen gevoelige informatie openbaar te maken over beveiligingsroutes, personele schema’s, werkwijzen of concrete dreigingen. Dat kan de veiligheid van betrokkenen in gevaar brengen. Wel mag de samenleving weten welke algemene criteria gelden, welke instanties de risico’s beoordelen en hoe vaak wordt nagegaan of de bestaande inzet nog noodzakelijk is. Ook moet op hoofdlijnen inzicht kunnen worden gegeven in de totale kosten en de controle op de doelmatigheid ervan. De Nationale Assemblée en de verantwoordelijke controle-instanties hebben hierin eveneens een taak. Een hoge functie is geen blanco cheque. De kernvraag is niet of hoogwaardigheidsbekleders beveiliging verdienen, maar hoeveel bescherming in een concrete situatie noodzakelijk is, wie dat bepaalt en hoe wordt gecontroleerd of de inzet proportioneel blijft. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om haar functionarissen te beschermen, maar ook om zorgvuldig om te gaan met het geld en de personele capaciteit van de samenleving.

Uiteindelijk moet niet de status van de functionaris, maar de aantoonbare veiligheidsbehoefte bepalend zijn voor de omvang van de beveiliging. Publieke middelen vragen om een rechtvaardiging, ook wanneer zij worden ingezet voor de bescherming van degenen die publieke functies bekleden.

More
articles