In Suriname begint de ongelijkheid al op jonge leeftijd. Niet ieder kind krijgt dezelfde mogelijkheid om goed onderwijs te volgen en zich voor te bereiden op een vervolgopleiding en de arbeidsmarkt. Dat verschil heeft niet alleen te maken met de financiële situatie van gezinnen, maar ook met de mate waarin het onderwijssysteem in staat is, kinderen daadwerkelijk en regelmatig onderwijs te bieden. De start van het nieuwe schooljaar heeft dat opnieuw zichtbaar gemaakt. Op 1 oktober gingen niet alle openbare scholen normaal van start vanwege de ontevredenheid onder leerkrachten. Een deel van het particuliere onderwijs begon wel, waardoor gezinnen die het zich kunnen veroorloven, een alternatief hebben. Voor ouders die particulier onderwijs niet kunnen betalen, bestaat die mogelijkheid niet. Hun kinderen zijn afhankelijk van openbaar onderwijs en ondervinden dus rechtstreeks de gevolgen, bijvoorbeeld van lesuitval of stakende leerkrachten. NDP-assembleelid Tashana Lösche bracht afgelopen dinsdag in De Nationale Assemblée verschillende problemen bij de start van het schooljaar onder de aandacht. Zij wees onder meer op een school in Koewarasan, waar leerlingen volgens een rooster de ene week drie dagen en de daaropvolgende week twee dagen onderwijs krijgen. Ook noemde zij de situatie in Klaaskreek, waar een school volgens haar informatie nog niet was gestart, omdat leerkrachten geen toegang hadden tot dienstwoningen. Vicepresident Gregory Rusland erkende dat er onder meer problemen zijn met het tekort aan leerkrachten, schoolgebouwen en huisvesting. Volgens hem wordt momenteel geïnventariseerd waar de grootste knelpunten liggen. Wij vragen ons af waarom de erkenning nu pas komt, terwijl het om problemen gaat die al veel langer spelen. Een tekort aan leerkrachten, achterstallig onderhoud en problemen met huisvesting, zijn niet nieuw. Wanneer deze problemen ieder schooljaar opnieuw moeten worden vastgesteld, is de vraag in hoeverre er structureel en vooruit wordt gepland. Het aantal leerlingen en de behoefte aan leerkrachten, lokalen en voorzieningen kunnen immers grotendeels vooraf worden ingeschat. Onderwijsbeleid zou niet pas bij de opening van de scholen moeten beginnen.
De gevolgen zijn bovendien niet voor ieder gezin hetzelfde. Ouders met voldoende financiële middelen kunnen kiezen voor particulier onderwijs, bijles of andere vormen van ondersteuning. Andere gezinnen hebben die mogelijkheden niet. Hierdoor kan de financiële positie van ouders steeds meer bepalen hoeveel continuïteit en ondersteuning een kind krijgt. Dat staat haaks op het uitgangspunt dat onderwijs juist een middel moet zijn om sociale verschillen te verkleinen. Daarom is het noodzakelijk om verder te kijken dan de problemen van één schooljaar. Een leerling die structureel minder les krijgt, loopt mogelijk een achterstand op in basisvakken als rekenen, taal en wetenschap. Dat werkt later door wanneer die leerling een vervolgopleiding moet kiezen of de arbeidsmarkt betreedt. De basis voor een vakopleiding, technische studie of andere gespecialiseerde richting wordt immers al jaren eerder gelegd. Suriname kan het zich daarom niet veroorloven, jongeren op te leiden met een systeem dat regelmatig wordt onderbroken en waarin bekende problemen steeds opnieuw moeten worden opgelost. Wie jongeren wil voorbereiden op de toekomst, moet beginnen met een stabiele basis: voldoende leerkrachten, goed onderhouden scholen, regelmatige lessen en onderwijs dat aansluit op de vaardigheden die later nodig zijn. Dat is niet alleen belangrijk voor de sociale ontwikkeling van jongeren, maar ook voor de economische toekomst van het land. De olie en het gas liggen offshore, maar de mensen die straks de kennis en vaardigheden moeten hebben om die economische kansen te benutten, zitten vandaag in onze klaslokalen. Als we een generatie jongeren willen opleiden die daadwerkelijk mee kan profiteren van de ontwikkeling van de olie- en gassector, moet de investering niet pas beginnen wanneer zij de arbeidsmarkt betreden. Die investering begint nu, bij het onderwijs.


