Voorbereiden op de olie-economie
De Surinaamse president Jenni-fer Simons sprak op 30 september jongstleden, de jaarrede voor 2027 uit. Suri-name heeft een traditie van formele protocollen en bombastische toespraken. Wat ik zojuist de jaarrede noemde, heet officieel de ‘Jaarrede van de president van de Republiek Suriname Hare Excellentie Jennifer Simons houdende een uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid in 2027 en de rede bij de indiening van de ontwerpbegrotingen voor het dienstjaar 2027 uitgesproken door Hare Excellentie Jennifer Simons in De Nationale Assemblée op dinsdag 30 september 2026’. U begrijpt wat ik bedoel. Alleen de titel telt al ruim vijftig woorden, en bevat inderdaad geen interpunctie. De jaarrede van mevrouw Simons omvat volgens de gepubliceerde tekst, ruim tienduizend woorden. Omdat zij rustig praat, nam het uitspreken hiervan bijna twee uur in beslag. Ter vergelijking: de Nederlandse troonrede was dit jaar nog geen drieduizend woorden lang, en werd door koning Willem-Alexander in twintig mi-nuten uitgesproken. De informatieoverdracht tijdens een toespraak van bijna twee uur, is niet effectief en nauwelijks zinvol. Het is een lange en vermoeiende zit. Het is niettemin van groot belang wat de essentie van het beleid van de regering is. Dat kan compacter en toegankelijker worden beschreven. De essentie van de jaarrede is dat de regering 2027 wil gebruiken om de overheidshuishouding op orde te krijgen en zich financieel, in-stitutioneel en maatschappelijk voor te bereiden op de inkomsten uit oliewinning. Het beleid is op te splitsen in vijf hoofdthema’s:
- Van stabilisatie naar uitvoering: Na het, volgens de regering, realiseren van economisch herstel en stabilisatie in 2026, moet 2027 het jaar worden waarin de plannen daadwerkelijk worden uitgevoerd.
- Eerst het financiële huis op orde: De staatsschuld en het begrotingstekort blijven hoog. Daarom kiest de regering voor begrotingsdiscipline, betere belastinginning, beheersing van uitgaven en transparanter bestuur.
- Olie als middel, niet als einddoel: Toe-komstige olie- en gasinkomsten moeten verantwoord worden beheerd, gespaard en geïnvesteerd. Ze moeten blijvende kennis, banen en ondernemingskansen opleveren voor Surinamers.
- Brede hervorming van de overheid en de samenleving: Zwakke instituties, beperkte uitvoeringskracht en versnipperd beleid moeten worden aangepakt met digitalisering, betere wetgeving, professionalisering en sterkere controle.
- Ontwikkelingen moeten de burger bereiken: Financiële stabiliteit moet worden vertaald naar beter onderwijs, gezondheidszorg, sociale bescherming, huisvesting, infrastructuur, veiligheid en werkgelegenheid. Tegelijk moet de economie minder afhankelijk worden van grondstoffen door landbouw, toerisme, productie en ondernemerschap te versterken.
De jaarrede presenteert 2027 dus als een belangrijk jaar, waarin Suriname zijn overheid, economie en bevolking moet voorbereiden op de komende olie-economie, zonder financiële discipline, sociale rechtvaardigheid en duurzaamheid uit het oog te verliezen. Dat had in minder woorden duidelijk gemaakt kunnen worden. Waar ik mij ernstig zorgen over maak, is de ineffectiviteit van de uitvoering. Veel dikwijls basale problemen bestaan heel lang, worden door opvolgende regeringen bij herhaling aan de orde gesteld, zijn onderwerp van discussies en rapporten van adviesgroepen en commissies, maar uiteindelijk gebeurt er weinig of niets. Dan is het de vraag of de overheid wel in staat zal zijn, zich goed voor te bereiden op de olie-economie, als de oude en al langer bekende problemen niet kunnen worden opgelost. Ik stip een aantal hiervan kort aan. De staatsschuld is al jarenlang op een onacceptabel hoog niveau. Geldschieters zijn weer bereid om geld uit te lenen aan Suriname tegen redelijke tarieven, met de olieroyalty’s in het vooruitzicht, maar de druk van de rentebetalingen en aflossingen op de staatsbegroting is onevenredig zwaar. De Surinaamse overheid werkt al jarenlang met onjuiste begrotingscijfers, waarin de trekkingen op overeengekomen leningen worden opgenomen onder inkomsten. Hierdoor wordt het begrotingstekort structureel te laag weergegeven. Ondanks alle kritiek van economen en andere deskundigen, gaat men hier onverstoorbaar mee door. De Surinaamse overheid subsidieert kosten voor brandstof, energie en water, en draagt ook bij aan de betaling van pensioenen waarin de pensioenfondsen door wanbeleid niet kunnen voorzien. Daardoor draagt de overheid hoge lasten die niet bij het huishoudboekje van de overheid horen. De afbouw hiervan gaat te traag.
Suriname heeft nog steeds een groot aantal staats- en parastatale bedrijven zonder toegevoegde waarde. Deze worden in stand gehouden, hoewel het enige nut vaak is dat zij voorzien in inkomsten voor directie en personeel. De overheid moet dikwijls verliezen compenseren. Ondanks eerdere onderzoeken en adviezen, komt de sanering niet op gang. De Surinaamse Luchtvaart Maatschappij (SLM) is een karikatuur van zo’n hopeloos staatsbedrijf. De SLM is al decennialang volstrekt inefficiënt, onder andere door te veel personeel, verlieslatend en onbetrouwbaar in de dienstverlening. Elke opvolgende regering moddert ermee verder en durft de knoop niet door te hakken.
De overheid heeft te veel personen op de loonlijst staan. Het overgrote deel van de beroepsbevolking ‘werkt’ voor de staat, hoewel daar niet altijd een nuttige arbeidsprestatie tegenover staat. De ambtenarij is stroperig, bureaucratisch en ineffectief. Slechts mondjesmaat zijn bestanden opgeschoond, maar er moet drastischer worden ingegrepen. De inkomsten van de overheid blijven achter, omdat een substantieel deel van de economie informeel is. De schattingen over het zwartwerken lopen uiteen, maar mogelijk een derde tot wel de helft van de economische activiteiten, vindt plaats buiten het zicht van de fiscus. Burgers en bedrijven die wel aangifte doen, doen dat lang niet altijd juist en volledig. De overheid heeft nauwelijks grip op de illegale goudwinning, de illegale houtkap en de drugshandel in het binnenland. Enerzijds derft de overheid royalty’s en belastingen, anderzijds wordt het binnenland verruïneert door kaalslag en vergiftigd door kwik en cyanide. Zwaarbewapende criminele beveiligers zijn een bedreiging voor de rechtsstaat. Corruptie, nepotisme en cliëntelisme lijken onuitroeibaar. Personen met een strafblad kunnen nog steeds bij de overheid en bedrijven of in de politiek aan de slag. Initiatieven om hiervoor maatregelen in wet- en regelgeving op te nemen, worden in de kiem gesmoord, omdat personen met een kras op hun blazoen hun invloed kunnen uitoefenen.Tot slot nog een financieel aspect. Hoe denkt de overheid de olieroyalty’s in goede banen te leiden wanneer vrijwel alle staats- en parastatale bedrijven nu al geen betrouwbare en door een accountant gecontroleerde jaarcijfers opleveren? Ik vind het onbegrijpelijk dat de directies en raden van commissarissen hiervoor niet op het matje worden geroepen. Wanneer je als onderneming niet tijdig betrouwbare cijfers publiceert, ben je als bestuurder geen knip voor de neus waard. De intenties van de regering zijn ongetwijfeld goed, maar er is veel werk te verzetten. Het inlopen van achterstallig onderhoud is daarbij naar mijn mening, een grotere uitdaging dan het in goede banen leiden van de gevolgen van de olie-economie.
Hans Moison


