Suriname wil zich in 2027 beter voorbereiden op mogelijke incidenten in de offshore-oliesector. In het Financieel Jaarplan wordt rampenparaatheid bij olie-incidenten expliciet als prioriteit genoemd. Veiligheids-, milieu- en kwaliteitsstandaarden moeten worden aangescherpt en de controle daarop moet worden versterkt. Dat zijn mooie woorden, maar voordat Suriname zich voorbereidt op een olieramp op zee, is een andere vraag minstens zo relevant: hoe staat het land er vandaag voor bij rampen die zich al voordoen? Op 4 oktober werden in Latour en Geyersvlijt meerdere woningen getroffen door zware rukwinden. Daken werden weggerukt en het NCCR werd ingeschakeld om de situatie in kaart te brengen. In het binnenland zijn de problemen structureler. In mei stonden dorpen in Zuid-Suriname onder water. Woningen en kostgronden werden getroffen en in Tepu raakte de drinkwatervoorziening beschadigd. Door de beperkte bereikbaarheid van het gebied werd hulpverlening bovendien complexer. Dit zijn geen uitzonderlijke theoretische scenario’s. Het zijn bestaande risico’s waarmee de nationale rampenorganisatie nu al te maken heeft.
Daarom zijn wij van mening dat de aangekondigde rampenparaatheid voor de oliesector een bredere benadering verdient. Een offshore-olieincident is namelijk van een andere orde dan een weggewaaid dak. Bij een ernstig incident kunnen meerdere systemen tegelijkertijd worden geraakt: zee en kust, visserij, scheepvaart, milieu, volksgezondheid en economische activiteiten.
Een effectieve reactie vereist gespecialiseerde kennis, materieel, communicatie, monitoring, duidelijke commandostructuren en samenwerking tussen meerdere instanties. Als die capaciteit voor een relatief overzichtelijke ramp niet optimaal functioneert, moet eerst worden vastgesteld wat nodig is om een veel complexere calamiteit te beheersen.
Daarbij is het opvallend dat het Financieel Jaarplan wel spreekt over rampenparaatheid, maar geen concrete uitwerking geeft van de maatregelen. Er wordt niet aangegeven welk budget beschikbaar is, welke apparatuur moet worden aangeschaft, hoeveel mensen worden opgeleid, welke instanties verantwoordelijk zijn en binnen welke termijn de capaciteit operationeel moet zijn. Dat maakt ‘rampenparaatheid’ vooralsnog vooral een beleidsdoelstelling. Dat hoeft niet zo te blijven. Het NCCR werkt samen met CDEMA aan trainingen, rampenplannen, oefeningen en publieke voorlichting. Ook worden districtscommissarissen momenteel getraind om de rampenparaatheid in hun districten te versterken.
Maar juist die ontwikkeling laat zien dat de nationale rampencapaciteit nog steeds verder moet worden opgebouwd. Ook UNDRR heeft in juni 2026 vastgesteld dat Suriname nog geen alomvattend systeem voor vroegtijdige waarschuwing heeft dat iedereen tijdig kan bereiken bij dreigende gevaren. Overstromingen, droogte en bosbranden behoren tot de risico’s waarvoor het land kwetsbaar is. Dat is relevant voor de oliesector. Een rampenplan heeft beperkte waarde wanneer waarschuwing, communicatie, transport, evacuatie en crisiscoördinatie niet voldoende zijn georganiseerd.
De offshore-industrie stelt de overheid bovendien voor nieuwe eisen. Met de verdere ontwikkeling van GranMorgu nemen de activiteiten op zee toe. Vanaf 2027 worden de offshoreactiviteiten opgevoerd en in 2028 wordt de eerste olie verwacht. De vraag is daarom niet óf Suriname een plan voor olie-incidenten nodig heeft. Dat staat buiten discussie. De vraag is of Suriname bereid is om daar dezelfde concrete invulling aan te geven als van de oliemaatschappijen wordt verwacht. Er moeten duidelijke scenario’s zijn. Er moeten verantwoordelijke instanties worden aangewezen. Materieel moet beschikbaar zijn. Personeel moet worden getraind. Oefeningen moeten regelmatig worden uitgevoerd. En de financiering moet vooraf geregeld zijn.
Rampenparaatheid kan niet beginnen nadat zich een ramp heeft voorgedaan. Suriname heeft al ervaring met rukwinden, overstromingen en andere natuurrampen. Die ervaringen zouden het uitgangspunt moeten vormen voor de opbouw van een bredere nationale crisisorganisatie die ook een offshore-incident aankan. Wie een olieramp wil kunnen beheersen, moet eerst weten wat zijn huidige rampencapaciteit daadwerkelijk aankan. Een beleidsplan is geen reddingsoperatie. Paraatheid moet aantoonbaar aanwezig zijn voordat de noodsituatie ontstaat.


