De Stichting Afro-Caribische Levensbeschouwing en Spiritualiteit (Grani) pleit voor meer zeggenschap van nazaten van tot slaaf gemaakte mensen over de herstelmiddelen die voor Suriname beschikbaar zijn gesteld. Volgens de stichting moet herstel verder gaan dan erkenning en tijdelijke projecten. De middelen moeten bijdragen aan blijvende versterking van de kennis, economische kansen en zelfstandigheid van de betrokken gemeenschappen. In een position paper van vrijdag 9 oktober, gericht aan de leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Nederlandse Tweede Kamer, vraagt Grani om een groter deel van de nog vrij te besteden middelen, onder rechtstreeks beheer van gemeenschappen te brengen. Het document is opgesteld met het oog op het commissiedebat over het slavernijverleden op 15 oktober 2026.
Vragen over bestemming en beheer
Voor Suriname is volgens het document circa euro 33,3 miljoen gereserveerd voor maatschappelijke initiatieven en daarnaast circa euro 33,3 miljoen voor beleidsmaatregelen.
Voor de subsidieregeling SUMS-SU is een subsidieplafond van euro 28 miljoen gepubliceerd. Grani stelt dat het verschil tussen het oorspronkelijke maatschappelijke budget en het subsidieplafond, volledig financieel moet worden verantwoord. Volgens de stichting is niet aangetoond dat het verschil volledig uit uitvoeringskosten bestaat.
Ook wijst de stichting op de ontwerpbegroting van het Nederlandse ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor 2027. Daarin worden overboekingen van resterende Suriname-budgetten naar het ministerie van Buitenlandse Zaken beschreven van euro 44,6 miljoen in 2027, euro 9 miljoen in 2028 en euro 1,7 miljoen in 2029. Deze bedragen hebben betrekking op beide geldstromen samen en vormen volgens Grani op zichzelf geen bewijs, dat het geld aan de Surinaamse staat is betaald.
Daarnaast verwijst de stichting naar berichtgeving van de STVS van 25 september jongstleden, over het voorgenomen beheer van de beleidsmiddelen via een Suriname Single Donor Trust Fund bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB). Grani vraagt om duidelijkheid over de definitieve afspraken, de betalingen, de beheerkosten en de zeggenschap over de besteding.
Gemeenschappen moeten mee kunnen beslissen
Grani stelt dat herstelmiddelen niet uitsluitend moeten worden beoordeeld op het aantal uitgevoerde projecten, maar vooral op wat er op lange termijn bij de nazaten achterblijft. Daarbij noemt de stichting onder meer kennisoverdracht, betaald werk voor lokale deskundigen, organisatieversterking en duurzaam beheer van erfgoed en historische collecties.
De stichting waarschuwt ook dat organisaties met professionele aanvraagcapaciteit, een voordeel kunnen hebben bij subsidieverlening, waardoor kleinere gemeenschapsorganisaties mogelijk moeilijker toegang krijgen tot middelen. Zij pleit daarom voor onafhankelijke aanvraagbegeleiding, taalondersteuning en administratieve hulp. Ook moeten gemeenschappen volgens Grani, een grotere rol krijgen bij het bepalen van prioriteiten en het beoordelen van de resultaten.
Verder vraagt de stichting om duidelijkheid over het in 2024 aangekondigde voornemen om een dialoogplatform op te zetten voor de meest betrokken groepen. Grani wil weten wat daarvan is gerealiseerd, wie erin vertegenwoordigd zijn en welke bevoegdheden het platform heeft.
Zes vragen aan de Nederlandse regering
In het position paper worden zes hoofdvragen voor het commissiedebat geformuleerd. Die gaan onder meer over de actuele stand van de geldstromen, de vertraging bij de beleidsmiddelen, de keuze voor de huidige uitvoeringsstructuur, de zeggenschap van nazaten en de onafhankelijke controle op de besteding.
Grani vraagt daarnaast om een openbaar financieel overzicht binnen zes weken en een uitgewerkt voorstel voor meer gemeenschapsbeheer binnen drie maanden. Ook moet jaarlijks inzichtelijk worden gemaakt hoeveel zeggenschap, kennis, betaald werk en blijvende voorzieningen de nazaten door de herstelmiddelen hebben verworven. De stichting benadrukt dat bij de beoordeling van projecten, rekening moet worden gehouden met de uiteenlopende behoeften van nazaten en plantagegemeenschappen. Ook moet duidelijk worden gemaakt, hoe de hersteldoelen zich verhouden tot de positie van inheemse gemeenschappen. Volgens Grani moet uiteindelijk niet alleen worden verantwoord hoeveel geld is uitgegeven, maar vooral welke duurzame verbeteringen daarmee voor de betrokken gemeenschappen zijn gerealiseerd.


