Bijna zestig jaar geleden werd Tigri door Guyana ingenomen. Sindsdien ligt het gebied als een steen in de schoen van menige Surinamer. Een steen die pijn doet, maar waar opeenvolgende regeringen kennelijk uitstekend mee hebben leren lopen. De toenmalige Surinaamse regering werd destijds gewaarschuwd. Toch kon Guyana het gebied innemen zonder noemenswaardig verzet. Sindsdien hebben opeenvolgende Surinaamse regeringen het dossier vooral behandeld zoals men in Suriname wel vaker omgaat met lastige dossiers: laten liggen, er af en toe iets over zeggen en vervolgens hopen, dat niemand ernaar vraagt. Tigri werd daarmee een soort politiek familiestuk. Iedereen weet dat het bestaat, niemand wil het weggooien, maar niemand lijkt precies te weten, wat ermee moet gebeuren. En zo verstreken bijna zestig jaar. Ondertussen wordt de kaart van Suriname in binnen- en buitenland niet altijd weergegeven zoals Suriname zijn eigen grondgebied ziet. Dat is geen onschuldig cartografisch detail. Kaarten zijn ook politiek. Wie jarenlang feitelijk controle uitoefent over een gebied en het consequent als het zijne presenteert, beïnvloedt daarmee de internationale beeldvorming. Suriname bleef ondertussen opvallend stil. Tot deze week. Want toen werd Bouva, minister van Buitenlandse Zaken, gevraagd of de Surinaamse steun voor de Guyanese kandidaat voor secretaris-generaal van de Verenigde Naties, ook aanleiding biedt om het Tigri-dossier opnieuw op tafel te leggen. Een normale vraag. Een voor de hand liggende vraag zelfs. Maar kennelijk was het een vraag te veel. Bouva reageerde geïrriteerd. Hij werd er, naar eigen zeggen, balorig van. En daarmee was de Balorige Bewindspersoon geboren. De Balorige Bewindspersoon. Het zou de naam voor een nieuwe Suske en Wiske kunnen zijn, maar helaas dat is het niet. Het is de trieste realiteit. Wat vervolgens nog opmerkelijker is dan zijn irritatie, is zijn argumentatie. Het Tigri-dossier is volgens Bouva een oud dossier dat door opeenvolgende regeringen is blijven liggen. Hoorde ik dat goed? Een minister van Buitenlandse Zaken gebruikt het feit dat zijn voorgangers iets niet hebben opgelost als reden waarom hij het zelf kennelijk ook niet hoeft op te lossen. Dat is bestuurlijk gezien een buitengewoon merkwaardige redenering. Als dat het criterium wordt, kunnen we een groot deel van de Surinaamse beleidsagenda rustig opbergen. Wat vorige regeringen hebben laten liggen, mag blijven liggen. Oude problemen krijgen automatisch een vrijstelling. “Zij hebben het ook niet gedaan” is geen visie. Het is een excuus. En juist van een bewindsman, hoe balorig ook, mag je iets anders verwachten. Zeker wanneer het gaat om een territoriaal geschil dat bijna zestig jaar oud is. Niet vijftig, zoals Bouva kennelijk beweert. Maar dossierkennis blijkt bij de Balorige Bewindspersoon blijkbaar net zo’n gevoelig onderwerp als het dossier zelf. Daar zit het werkelijke probleem. Niemand verwacht van Bouva dat hij morgen Tigri terugbrengt. Niemand verwacht dat Suriname de betrekkingen met Guyana op scherp zet. Niemand verwacht een diplomatieke oorlog. Maar men mag toch verwachten dat een Surinaamse minister weet, welke nationale belangen op tafel liggen? Suriname ondersteunt een Guyanese kandidaat voor de hoogste diplomatieke functie ter wereld. Dat kan een volstrekt legitieme diplomatieke keuze zijn. Maar diplomatie is geen liefdadigheidsinstelling. Internationale politiek draait om belangen. Dus mag de vraag gesteld worden: Wat levert Suriname deze steun op? En mag daar dan ook de vervolgvraag op komen: Is Tigri onderdeel van die gesprekken? Dat is geen provocatie. Dat is een normale vraag die de Surinamer bezighoudt. De Balorige Bewindspersoon lijkt echter een andere opvatting te hebben over kritische vragen. Alsof de vraag zelf het probleem is, in plaats van het feit dat er na bijna zestig jaar nog steeds geen antwoord is op de vraag wat Suriname met Tigri wil. Misschien moeten we het daarom eens omdraaien. Niet vragen waarom Tigri al bijna zestig jaar niet is opgelost. Maar vragen: Waarom zou deze regering het wél moeten oplossen? Dat is namelijk precies waar bestuurlijke verantwoordelijkheid begint. De regering die vandaag aan de macht is, kan zich niet verschuilen achter de regeringen die gisteren aan de macht waren. Wie verantwoordelijkheid accepteert voor het bestuur van een land, accepteert daarmee ook de erfenis van zijn voorgangers. Je kunt niet zeggen: “Dit probleem bestond al voordat ik minister werd, dus het is niet mijn probleem.” Dan ben je geen bestuurder. Dan ben je slechts de volgende eigenaar van de stoel. En Tigri is daarvoor misschien wel het meest pijnlijke voorbeeld.
Guyana heeft het gebied sinds 1969 feitelijk onder controle. Suriname houdt vast aan zijn aanspraak. Het geschil bestaat dus nog steeds. Maar hoe langer Suriname niets doet, hoe gemakkelijker het voor de buitenwereld wordt om de bestaande situatie als de normale si-tuatie te gaan beschouwen. Dat is precies waarom een regering het dossier voortdurend onder de aandacht moet houden. Diplomatiek. Juridisch. Historisch. Internationaal. Zonder geschreeuw. Zonder oorlogstaal. Maar vooral: zonder stilzwijgen.
Want wie niets doet, verliest uiteindelijk niet alleen terrein. Hij verliest ook het verhaal over dat terrein. En daar moeten we voor oppassen. Want misschien zijn we Tigri niet juridisch kwijt. Maar als we decennialang niets doen, kunnen we het op den duur wel politiek, diplomatiek en in de beeldvorming kwijtraken. En dan rest ons straks alleen nog de Surinaamse gewoonte om achteraf te zeggen: “Maar we hebben het altijd geclaimd.” Dat is ongeveer net zo nuttig als een vlag die niemand meer ziet. En de Balorige Bewindspersoon? Hem wacht misschien een onderscheiding of het ereburgerschap van Georgetown. Een goede buur is beter dan een verre vriend. En hij is wel een hele goede buur.
Jules Emanuels
Ondernemer


