“Elke fase in onze economische ontwikkeling heeft zijn eigen uitdagingen met betrekking tot het beschikbaar hebben van deviezen. Aangezien het primair de verantwoordelijkheid is van de regering, ervoor te zorgen dat er voldoende deviezen beschikbaar zijn om sectoren binnen onze samenleving draaiende te houden, is het op zich begrijpelijk dat er ten aanzien hiervan, regels worden gesteld”, zegt fiscalist en juridisch adviseur Roy Shyamnarain, op de vraag van Dagblad De West, om een reactie op de onlangs afgekondigde maatregelen van de Deviezencommissie met betrekking tot de verplichte afdracht van uit export verkregen vreemde valuta.
In de Algemene Beschikking no. 228 van 31 juli 2026 (A.B. no. 228), schrijft de Deviezencommissie voor, dat exporteurs hun exportopbrengsten naar Suriname moeten repatriëren en voortaan binnen drie werkdagen na overmaking, ten minste 35 procent daarvan, aan een lokale deviezenbank dienen te verkopen. Goud-exporteurs moeten de door hen verkregen deviezen binnen dezelfde termijn verkopen aan de Centrale Bank van Suriname.
Als uitvoeringsinstantie van het deviezenbeleid stelt de Deviezencommissie dat de verscherping van de repatriatie- en conversieplicht onder meer als doel heeft “dat de opbrengsten uit de uitvoer van alle goederen, diensten en waarden alsook de opbrengsten uit de uitvoer van goud, dienen bij te dragen aan de beschikbaarheid van vreemde valuta in Suriname”.
Shyamnarain benadrukt dat overheidsmaatregelen die getroffen worden om de beschikbaarheid van deviezen voor de rest van de samenleving veilig te stellen, niet ten koste mogen gaan van de verdiencapaciteit van op export gerichte lokale ondernemers. ‘’Het kan niet de bedoeling zijn dat met dergelijke maatregelen, juist de kip die de gouden eieren legt, de nek wordt omgedraaid’’, zegt hij.
“Er zijn tijden waarin een vrij liberaal beleid kan worden gevoerd om de instroom van deviezen te stimuleren, zodat exporteurs deze kunnen gebruiken om opnieuw in het eigen bedrijf te investeren of reserves op te bouwen. Maar er zijn ook tijden waarin het beleid juist restrictief moet zijn om de gevolgen van een mogelijke verkrapping van de instroom, het hoofd te kunnen bieden’’, verduidelijkt Shyamnarain. De uitdaging daarbij is volgens hem, dat beleidmakers steeds de juiste balans moeten zien te vinden tussen het belang van individuele exporteurs, die de deviezen verdienen en dat van de samenleving als geheel.
“De realiteit is dat veel op export gerichte Surinaamse bedrijven, de door hen verdiende deviezenopbrengsten zelf hard nodig hebben om te herinvesteren en zo de continuïteit van hun bedrijfsvoering te garanderen. Als zij verplicht worden om een onevenredig groot deel daarvan aan een lokale deviezenbank of de CBvS te verkopen, zonder de zekerheid te hebben dat zij deze voor dezelfde koers weer kunnen kopen, dreigt hun verdiencapaciteit in de knel raken’’, aldus Shyamnarain. De instroom van nieuwe deviezen komt dan in gevaar. En dat kunnen wij ons als samenleving ook niet permitteren.”
Het beleid moet volgens Shyamnarain, daarom gericht zijn op het creëren van een ondernemingsklimaat, waarin bedrijven worden gestimuleerd om meer te produceren, zodat zij meer kunnen exporteren en daardoor een constante instroom van deviezen kunnen helpen zekerstellen. Daarbij zijn niet alleen deviezenmaatregelen belangrijk, maar ook zaken als fiscale faciliteiten en de beschikbaarheid van financieringsopties voor investeringen om nieuwe markten te kunnen betreden.

