Suriname wordt geconfronteerd met steeds loadshedding. Het elektriciteitsverbruik stijgt sneller dan verwacht, de productiecapaciteit staat onder druk en de EBS heeft geen reservevermogen achter de hand. En dus wordt de burger gevraagd, vooral minder stroom te verbruiken. Maar hoe denkt de EBS dit probleem op te lossen, als de vraag naar elektriciteit alleen maar verder zal toenemen?
Aan de randen van Paramaribo en daarbuiten schieten nieuwe woonbuurten als paddenstoelen uit de grond. Grote woningen, steeds meer verlichting, airconditioners, elektrische poorten, warmwatersystemen, zwembaden en tal van andere stroomslurpende voorzieningen. Dat is de realiteit van de groeiende vraag naar elektriciteit. En dan hebben we het nog niet eens over de economische ontwikkeling die Suriname zegt te verwachten. De oliesector moet de komende jaren voor een enorme economische impuls zorgen. Dat betekent meer bedrijvigheid, meer kantoren, meer hotels, meer woningen en vooral: meer mensen die hier komen werken en wonen. De vraag naar accommodatie voor expats en werknemers die nodig zijn voor de olie- en gasindustrie, zal onvermijdelijk toenemen. Maar hoe gaan we die groei accommoderen, als we vandaag al niet voldoende elektriciteit kunnen leveren. Wie houden we eigenlijk voor de gek? We kunnen niet tegelijkertijd roepen dat Suriname klaar moet zijn voor de olie- en gasboom en ondertussen accepteren dat de elektriciteitsvoorziening bij een stijgende vraag, direct tegen haar grenzen aanloopt. Het probleem is trouwens groter dan alleen een paar uur zonder stroom. Als gezinnen en bedrijven hun apparatuur moeten uitschakelen of als apparaten beschadigd raken door onverwachte stroomonderbrekingen, heeft dat economische gevolgen. Bedrijven kunnen productie verliezen, winkels kunnen omzet mislopen en huishoudens kunnen geconfronteerd worden met kosten voor reparatie of vervanging van apparatuur. De vraag is daarom niet alleen hoe burgers vandaag minder stroom kunnen gebruiken. De veel belangrijkere vraag is: Hoe bereidt de EBS zich voor op de elektriciteitsvraag van morgen? Want de nieuwe woonwijken verdwijnen niet. De grote woningen verdwijnen niet. De airconditioners verdwijnen niet. De zwembaden verdwijnen niet. En de verwachte groei van de olie- en gassector al helemaal niet. We kunnen moeilijk miljoenen, misschien miljarden, aan investeringen verwachten uit de oliesector en tegelijkertijd doen alsof onze basisinfrastructuur het wel zal redden met wat minder verbruik tijdens de piekuren. Als Suriname werkelijk klaar wil zijn voor de olie- en gasboom, moet elektriciteitsvoorziening onderdeel zijn van die voorbereiding. Niet pas wanneer het licht uitvalt, maar jaren daarvoor. Een waarschuwing dat de groei van Suriname sneller kan gaan dan de infrastructuur die die groei moet dragen. En als we nu al geen reservevermogen hebben, terwijl nieuwe woonwijken als paddenstoelen uit de grond schieten en de olie- en gasindustrie nog moet beginnen aan haar grootste ontwikkelingsfase, dan is de vraag niet óf we tegen capaciteitsproblemen aanlopen. De vraag is: Hoeveel groter moet het probleem eerst worden, voordat we serieus gaan investeren in de oplossing?


