SURINAME MIST DE KOERS: KEUZES UITSTELLEN IS GEEN BELEID

Karel Eckhorst heeft gelijk. Suriname weet al te lang niet welke koers het wil varen. De econoom wijst er terecht op, dat een land eerst moet beslissen wat het wil zijn – mijnbouwland, landbouwland of een doordachte combinatie – en daarna de instituten en structuren daarop moet afstemmen. Zolang die fundamentele keuze uitblijft, blijven we ronddraaien in halfslachtig beleid, uitgestelde hervormingen en structurele zwakte. De praktijk van de afgelopen jaren bevestigt dit pijnlijk.

Kijk naar de financiële kant. Suriname sleept nog altijd zware uitstaande verplichtingen aan het IMF mee en zoekt regelmatig toevlucht tot obligatieleningen. Die instrumenten zijn op zich niet verkeerd, maar ze worden te vaak gebruikt als stopmiddel in plaats van onderdeel van een heldere ontwikkelingsstrategie. Zonder duidelijke richting blijft de schuldendienst een molensteen en blijft het vertrouwen van investeerders wankel. Tegelijkertijd wordt de Final Investment Decision (FID) in de oliesector nog altijd onvoldoende met het volk gedeeld. Grote beloften over welvaart circuleren, maar de concrete verdeling van baten, de voorwaarden en de risico’s blijven te vaag voor de gemiddelde Surinamer. Transparantie is geen luxe; het is de basis van een draagvlak.

In de mijnbouwsector zelf zien we dezelfde aarzeling. Bestaande multinationals worden niet tijdig en consequent geaccommodeerd met heldere eisen rond milieuveiligheid. Incidenten en zorgen over vervuiling blijven terugkomen, terwijl het toezicht en de handhaving achterblijven. Wie een mijnbouwland wil zijn, moet de sector professioneel en verantwoordelijk inrichten – niet halfslachtig. Wie dat niet doet, creëert wantrouwen en onnodige risico’s voor gemeenschappen en ecosystemen. Er is een raffinaderij, met maar één enkele wegverbinding. Met alle olieactiviteiten op gang werkt niemand vanuit de overheid aan een pijplijn, een spoorverbinding of zelfs behoorlijke tankopslag. Er is met de grote olieproducerende landen, waar een arbeidsmarkt aan experts rondwandelt, nog geen rechtstreekse luchtvaartverbinding. Met hoeveel van de OPEC landen wisselen wij ambassadeurs uit? Is er op het ministerie van BIS wel een OPEC desk? Wie heeft de verantwoordelijkheid onze crude olie van een kwaliteitsprofiel te voorzien dat de investeringen optimaliseert? Een land dat vol inzet op een mijnbouweconomie zijn, heeft minstens antwoorden op de vragen en concepten, als het nog geen concrete plannen betreft.

De landbouwsector toont het spiegelbeeld van hetzelfde probleem. Parastatalen die ooit de ruggengraat van de voedselproductie hadden moeten vormen, zijn systematisch kapotgelaten. Productiecapaciteit, kennis en infrastructuur zijn versloft. Toch houdt de overheid krampachtig vast aan de arealen van diezelfde parastatalen, alsof het vasthouden aan grond alleen al beleid is. Resultaat: braakliggende potentie en geen serieuze herstructurering.

De rijstsector illustreert de afhankelijkheid. Jaar in jaar uit blijven subsidies nodig, terwijl de sector onvoorspelbaar blijft. Planning wordt daardoor vrijwel onmogelijk. Boeren weten niet waar ze aan toe zijn, investeerders haken af en de sector blijft hangen tussen overheidssteun en markt. Cassavefabrieken, ooit aangekondigd als alternatief en als motor voor lokale verwerking, kwamen niet of nauwelijks van de grond. Ondertussen is de voedselvoorziening zwaar importafhankelijk. Traditionele keukens en diëten die gebaseerd zijn op lokale seizoensgewassen, worden niet gestimuleerd. In plaats van voedselzekerheid op te bouwen met wat het land zelf kan voortbrengen, blijven we afhankelijk van buitenlandse aanvoer.

Dit alles is geen toeval. Het is het gevolg van het ontbreken van een heldere keuze. Wil Suriname een serieus mijnbouw- en energieproducerend land zijn, dan moeten instituties, milieuregels, local content en inkomstenverdeling, daarop worden ingericht. Wil het ook een sterke landbouw- en voedselbasis, dan moeten parastatalen worden hervormd of vervangen, subsidies voorspelbaar en tijdig bekend gemaakt worden voor meerdere jaren vooruit, en lokale productieketens – van cassave tot seizoensgewassen – serieus ondersteund. Een combinatie is mogelijk, maar alleen als de structuren daarop worden afgestemd.

Eckhorst’s onderscheid tussen “Suriname 1.0” en de transitie naar “Suriname 2.0” is nuttig. Terugkijken op wat misging is nodig, maar de echte test is of we eindelijk de koers durven kiezen en de instituties daarop inrichten. Zolang we dat niet doen, blijven obligatieleningen, IMF-verplichtingen, halfslachtige mijnbouwafspraken en een kwijnende landbouwsector, elkaar in stand houden. Suriname verdient beter dan eindeloos schipperen, laveren en brandjes blussen aan dek. Het is tijd om te kiezen.

More
articles