Elke regeerperiode keert hetzelfde onderwerp terug in het publieke debat en in De Nationale Assemblée: de privatisering van staatsbedrijven. Wanneer de overheid geconfronteerd wordt met financiële druk, inefficiënte ondernemingen en een groeiende behoefte aan hervorming van de staatsfinanciën, wordt privatisering vaak genoemd als een noodzakelijke stap. Het argument dat de overheid zich moet terugtrekken uit commerciële activiteiten en ruimte moet maken voor de private sector, die efficiënter en slagvaardiger zou kunnen opereren, is net een afgezaagd liedje. Maar voordat Suriname opnieuw een privatiseringsproces ingaat, moet een cruciale vraag worden gesteld: gebeurt dit proces werkelijk vanuit een visie op economische ontwikkeling, of wordt privatisering opnieuw gebruikt als een snelle oplossing voor structurele problemen?
De ervaring leert dat privatisering op zichzelf geen garantie is voor succes. Het overdragen van een staatsbedrijf aan een private partij betekent niet automatisch dat inefficiëntie verdwijnt, dienstverlening verbetert of de samenleving profiteert. Alles hangt af van de manier waarop het proces wordt uitgevoerd, de voorwaarden waaronder de overdracht plaatsvindt en de belangen die uiteindelijk worden beschermd.
De uitspraak van econoom Jim Bousaid dat privatisering zorgvuldig en ordelijk moet geschieden, raakt daarom een belangrijk punt. De discussie mag niet uitsluitend gaan over welke staatsbedrijven verkocht moeten worden, maar vooral over de vraag hoe wordt voorkomen dat publieke bezittingen op een onzorgvuldige manier uit handen worden gegeven. Suriname heeft in het verleden vaker meegemaakt dat grote economische beslissingen gepaard gingen met vragen over transparantie, toezicht en de rol van politieke belangen. Juist bij privatisering is dat risico groot, omdat het vaak gaat om ondernemingen die jarenlang met publieke middelen zijn opgebouwd. De waarde van een staatsbedrijf bestaat immers niet alleen uit gebouwen, machines of financiële cijfers. Er spelen ook aspecten mee zoals strategisch belang, werkgelegenheid, kennis, infrastructuur en de rol die een bedrijf speelt binnen de samenleving. Daarom is een professioneel en transparant proces noodzakelijk.
Een van de belangrijkste onderdelen daarvan is het aanbestedingsproces. Wanneer een staatsbedrijf wordt geprivatiseerd of wanneer een strategische partner wordt gezocht, moet duidelijk zijn, hoe partijen worden geselecteerd. Welke criteria worden gehanteerd? Wordt gekozen voor de partij met het beste financiële bod, of wordt ook gekeken naar investeringsplannen, continuïteit, werkgelegenheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid? Een privatiseringstraject waarbij vooraf al duidelijk lijkt wie de voorkeurspartij is, ondermijnt het vertrouwen van de samenleving. Het roept vragen op over belangenverstrengeling en kan ertoe leiden dat staatsbezit niet naar de meest geschikte partij gaat, maar naar degene met de beste politieke of zakelijke connecties.
Daarom moet aanbesteding niet worden gezien als een administratieve formaliteit, maar als een essentieel onderdeel van goed bestuur. Ook de waardebepaling van staatsbedrijven verdient bijzondere aandacht. Het feit dat een onderneming jarenlang verlies heeft geleden, betekent niet automatisch dat zij waardeloos is. Soms ligt de waarde juist in marktaandeel, infrastructuur, vergunningen, strategische positie of toekomstige groeimogelijkheden. Een verkeerde waardering kan ertoe leiden dat de samenleving miljoenen misloopt.
Aan de andere kant moet ook eerlijk worden gekeken naar staatsbedrijven die structureel afhankelijk zijn van subsidies en geen duidelijke publieke functie meer vervullen. De overheid kan niet onbeperkt bedrijven blijven ondersteunen die geen toekomstperspectief hebben. Maar ook daar moet de oplossing gebaseerd zijn op analyse, niet op haast.
De quickscan van de voormalige stuurgroep State Owned Enterprises laat zien, hoe omvangrijk de uitdaging is. Met 163 geïdentificeerde staatsbedrijven heeft Suriname een groot en complex staatsapparaat opgebouwd. De aanbevelingen om sommige bedrijven te liquideren, andere te behouden en een aantal te privatiseren, tonen aan dat maatwerk noodzakelijk is. Een belangrijke les hierbij is dat niet elk staatsbedrijf hetzelfde behandeld kan worden. Een nutsbedrijf, een strategische onderneming en een commerciële activiteit vragen elk om een andere benadering.
De discussie rond de Surinaamse Luchtvaartmaatschappij (SLM) is hiervan een voorbeeld. De financiële problemen van de nationale carrier zijn bekend en vragen om ingrijpende keuzes. Maar de vraag is niet alleen óf de SLM geprivatiseerd moet worden. De belangrijkste vraag is onder welke voorwaarden dit gebeurt. Wordt gezocht naar een partner die de luchtvaartmaatschappij duurzaam kan versterken, of wordt een nationaal bedrijf verkocht omdat de overheid geen andere oplossing ziet?
Suriname moet bovendien leren van ervaringen in de regio. Guyana wordt vaak genoemd als voorbeeld van economische hervormingen en groei, maar de discussie daar laat ook zien, dat economische vooruitgang niet automatisch betekent dat alle burgers daarvan profiteren. Een land kan hoge groeicijfers laten zien, terwijl tegelijkertijd vragen blijven bestaan over de verdeling van rijkdom, transparantie en sociale effecten.
Dat is ook de uitdaging voor Suriname. Privatisering moet niet alleen worden beoordeeld op hoeveel geld het de overheid oplevert, maar vooral op wat het op lange termijn betekent voor de economie en de samenleving.
Daarom is het voorstel om een onafhankelijk privatiseringsbureau op te richten met deskundigen een gedachte die serieus moet worden overwogen. Maar zo’n instituut moet meer zijn dan een uitvoeringsorgaan. Het moet onafhankelijk kunnen werken, beschikken over duidelijke regels en onderworpen zijn aan controlemechanismen die politieke beïnvloeding beperken.
Want uiteindelijk gaat privatisering niet alleen over bedrijven. Het gaat over vertrouwen. Wanneer burgers het gevoel krijgen dat staatsbedrijven worden verkocht zonder transparantie, zonder eerlijke concurrentie en zonder duidelijke voordelen voor het land, ontstaat wantrouwen. Wanneer processen professioneel, controleerbaar en eerlijk verlopen, kan privatisering juist bijdragen aan economische modernisering. De kernvraag is daarom niet of Suriname staatsbedrijven moet privatiseren. Sommige ondernemingen kunnen daar zeker voor in aanmerking komen. De echte vraag is of Suriname de instituties, deskundigheid en transparantie heeft om dit op een verantwoorde manier te doen. Want een staatsbedrijf verkopen, kan in korte tijd gebeuren. Maar de gevolgen van een verkeerde beslissing kunnen generaties lang voelbaar blijven.


