Mediacommentaar op de Nota van Wijzigingen
De Surinaamse Staatsbegroting 2026 krijgt de nodige aandacht van de nieuwsmedia. De Nota van Wijzigingen wordt in de tweede helft van juni 2026 door De Nationale Assemblée behandeld. Het is vanzelfsprekend onacceptabel dat een staatsbegroting niet ruim vóór het desbetreffende kalenderjaar wordt behandeld en geaccordeerd, maar pas wanneer dit jaar bijna voor de helft is verstreken. Ik heb nergens verontwaardiging hierover gehoord of gelezen, maar misschien heb ik wat gemist. Helaas kennen de analyses in en door de media niet altijd voldoende diepgang en blijven deze beperkt tot het uitlichten van niet altijd relevante details. Soms bevatten ze evidente fouten. Nita Ramcharan maakt zich in haar column van 9 juni, terecht zorgen over de hoge uitgaven van de overheid aan salarissen, sociale uitkeringen, subsidies, rentelasten en aflossingen van schulden. Hierdoor blijft weinig geld over voor verbeteringen waar Suriname behoefte aan heeft. Zij schrijft: ‘Alleen al de schuldenlast neemt ongeveer dertig procent van de overheidsuitgaven voor haar rekening.’ Is dat zo? Deze conclusie lijkt te zijn gebaseerd op de uitgaven van het directoraat Financiën & Planning van het gelijknamige ministerie ter grootte van ruim SRD 25 miljard en de totale uitgaven volgens de begroting van ruim SRD 77 miljard. De uitgaven van het directoraat Financiën & Planning betreffen evenwel niet alleen de schuldenlast. Hierin zijn ook begrepen de suppletie overheidsbijdrage pensioenfonds, subjectsubsidie elektriciteit en een fonds voor speciale projecten. De begrote uitgaven aan rente, aflossingen en leningskosten zijn SRD 15,5 miljard, zo’n 20 procent van de totale uitgaven. Dat is veel, maar niet ongeveer 30 procent. In een artikel van Starnieuws van 12 juni met de kop: ‘Ruim SRD 26 miljard gaat naar schuldenlast’, wordt dezelfde fout gemaakt. Ook hier wordt gesuggereerd dat dit bedrag wordt besteed aan rente, aflossingen en leningskosten. Deze conclusie wordt geïllustreerd met een fraai plaatje waarvan de gegevens en de grafieken zijn gebaseerd op onjuiste informatie en verkeerde conclusies. De schrijver vermeldt onder meer: ‘Daarnaast is voor het directoraat Belastingen nog eens ruim SRD 910 miljoen geraamd’, alsof dit ook rente, aflossingen of leningskosten zou betreffen. Dit bedrag betreft evenwel voornamelijk renovatiewerkzaamheden, modernisering en verzelfstandiging van de belastingorganisatie en onderhoud en vernieuwing van geautomatiseerde systemen. Het heeft dus niets met rente, aflossingen of leningskosten te maken. Dit artikel kan ik inmiddels niet meer vinden op de internetpagina. Het lijkt te zijn verwijderd. Starnieuws publiceerde op 12 juni ook een artikel over de bijdrage van de belastingbetaler aan de staatsinkomsten. Het zou gaan om ruim SRD 45 miljard. De schrijver concludeert dat de Surinaamse overheid nog steeds in belangrijke mate afhankelijk is van belastingopbrengsten voor de financiering van haar uitgaven. Dat lijkt mij niet zo verrassend. Dat is in de meeste landen het geval. Volgens de schrijver wordt de grootste bijdrage aan de belastingopbrengsten verwacht van de belasting over de toegevoegde waarde (btw), die in 2026 naar schatting ruim SRD 10,5 miljard moet opleveren. Daarnaast rekent de overheid volgens de schrijver op ongeveer SRD 18,3 miljard uit loon- en inkomstenbelasting. Volgens mijn rekenmachine, komt dan de grootste bijdrage uit loon- en inkomstenbelasting, niet uit btw. In een artikel van Starnieuws van 12 juni met de kop; ‘Nieuw ministerie Olie, Gas en Milieu investeert SRD 3,4 miljard in Staatsolie’, wordt dieper ingegaan op de uitgaven en ontvangsten van dit nieuwe ministerie. Uitgaven van SRD 3.393 miljoen zijn opgenomen als programma van het directoraat Olie en Gas: ‘Investeringen ten behoeve van Staatsolie’. Het zou gaan om kapitaalinvesteringen om de bestaande activiteiten van Staatsolie op peil te houden en verder te ontwikkelen, en geen betrekking hebben op het offshore GranMorgu-project. Het is een gemiste kans dat de schrijver niet wat verder keek in de begroting, omdat hetzelfde bedrag in de toelichting is terug te vinden bij de middelenbegroting van dit directoraat. De verwachte dividendontvangsten zijn bij aanpassing van de begroting geraamd op SRD 3.393 miljoen in plaats van SRD 0. Dat moet Staatsolie betreffen. Bij mij komt de vraag op, waarom de staat als enig aandeelhouder dividend laat uitkeren om dat daarna direct weer in Staatsolie te investeren. Dan kun je beter de dividenduitkering achterwege laten.
De detailcijfers uit de Memorie van Toelichting en de wettekst zijn gerecapituleerd in het ‘Totaal financieel overzicht voor het dienstjaar 2026’, net na de inhoudsopgave. Wat schetst mijn verbazing? In dit overzicht is op de regel (directoraat) Olie en Gas, in de kolom NBM het bedrag SRD 6.786 miljoen opgenomen. NBM staat voor niet-belastingmiddelen. De uitleg van deze afkorting op pagina 311 van de begroting als ‘Niet Belastbare Middelen’ is vanzelfsprekend onjuist. SRD 6.786 miljoen is tweemaal het bedrag aan verwachte dividendontvangsten van SRD 3.393 miljoen volgens de Memorie van Toelichting. Is dit een fout in een spreadsheet? Zijn hiermee de ontvangsten SRD 3.393 miljoen te hoog weergegeven? Dan zou het begrotingstekort nog hoger zijn. Het gepresenteerde begrotingstekort is al onjuist bepaald doordat de ambtenaren halsstarrig volharden in hun fout om trekkingen op leningen onder de ontvangsten op te nemen. Elk jaar weer wijzen deskundigen op deze fout, maar het helpt niet. Hoe gaat Suriname de overheidsfinanciën op orde brengen wanneer het niet in staat is het begrotingstekort te bepalen? Ik sluit niet uit dat de ontvangsten in de begroting niet alleen te hoog zijn weergegeven voor de trekkingen op leningen van SRD 6,6 miljard, maar ook door het dubbel opnemen van het dividend van Staatsolie van SRD 3,4 miljard. Het juiste bedrag aan begrote ontvangsten is waarschijnlijk SRD 54,6 miljard. De begrote uitgaven zijn SRD 77,5 miljard. Dan is het begrotingstekort SRD 22,9 miljard, maar liefst dertig procent van de uitgaven of negen procent van het bruto binnenlands product. Dat is onacceptabel hoog. Journalistiek over de staatsbegroting moet feitelijk juist, controleerbaar en contextueel sterk zijn. Zij moet zich niet verliezen in losse cijfers of spectaculaire koppen, maar duidelijk maken wat uitgaven en ontvangsten werkelijk betekenen, welke posten structureel of incidenteel zijn, en wat de gevolgen zijn voor het begrotingstekort, de staatsschuld en publieke voorzieningen. Goede begrotingsjournalistiek is bovendien kritisch op timing, systematiek en politieke framing. Zij vraagt waarom een begroting laat wordt behandeld, signaleert boekhoudkundige onzuiverheden en laat zich niet gebruiken als doorgeefluik van onjuiste interpretaties.
Hans Moison

