De olieprijs brak deze week voor het eerst in bijna vier jaar door de grens van 100 dollar per vat, een directe reactie op de escalatie van het conflict rond Iran en de benoeming van ayatollah Mojtaba Khamenei als nieuwe hoogste leider van dat land. Deze stijging is niet zomaar een statistiek op de financiële pagina’s; in Suriname betekent het hogere kosten bij de pomp, een zwaardere druk op de begroting en voelbare lasten voor gezinnen en bedrijven. Volgens Annand Jagesar, directeur van Staatsolie Maatschappij Suriname, zal de olieprijs ook in Suriname stijgen als gevolg van de oorlog tussen Iran, de Verenigde Staten en Israël. De escalatie in het Midden-Oosten heeft volgens hem, directe gevolgen voor de wereldmarktprijs van olie, die bepalend is voor de brandstofprijzen in Suriname. “De olieprijs zal omhooggaan en daardoor zullen ook de inkomsten van de Surinaamse overheid stijgen”, zei Jagesar in een reactie tegenover Starnieuws. Jagesar wijst erop dat de staat via de zogenoemde government take, ongeveer 68 cent van elke dollar olieopbrengst ontvangt, waardoor de overheid kan profiteren van hogere olieprijzen – maar wat dat betekent, hangt af van hoe die extra middelen worden aangewend. Hij benadrukt dat het niet realistisch is te verwachten dat de lo-kale raffinaderij lagere brandstofprijzen kan hanteren, omdat deze niet genoeg produceert om aan de totale binnenlandse vraag te voldoen. Suriname verbruikt ongeveer 5000 barrels gasoline per dag, terwijl de raffinaderij maximaal 2300 barrels per dag kan produceren; het merendeel moet dus worden geïmporteerd. Jagesar waarschuwt ook dat kunstmatig lage pompprijzen, zoals die jarenlang in Venezuela werden gehanteerd, op de lange termijn problematisch kunnen zijn, omdat ze de prikkel wegnemen om alternatieven te zoeken en op den duur moeilijk te corrigeren zijn. Toch erkent hij dat hogere brandstofprijzen zwaar kunnen drukken op de bevolking, met name op ouderen en mensen met een laag inkomen, en pleit hij voor gerichte ondersteuning voor degenen die de stijgende kosten niet kunnen dragen. De huidige olieprijsrally heeft meerdere concrete gevolgen voor Suriname. Hogere brandstofkosten voor burgers en bedrijven worden onvermijdelijk, omdat de wereldmarktprijs bepalend blijft voor importbrandstoffen. Daarnaast volgen verhoogde productiekosten voor transport, landbouw en industrie, wat doorwerkt in de prijzen van goederen en diensten en de inflatie verder kan aanwakkeren. Er komt daarnaast grotere druk op de staatsbegroting indien de overheid ervoor kiest brandstof te subsidiëren om de sociale impact te dempen, terwijl de kostprijs omhooggaat. Hiernaast bestaat een kans op mogelijke verbetering van staatsinkomsten uit olie via de government take, wat een kans biedt voor meer investeringen in infrastructuur, sociale programma’s of economische diversificatie – maar alleen als die middelen verstandig worden ingezet.
De prijs van dit alles is echter het risico op sociale spanningen als hogere energiekosten niet gepaard gaan met solidariteitsmaatregelen voor de meest kwetsbaren. Voor Suriname illustreert deze ontwikkeling hoezeer een klein land in Zuid-Amerika verbonden is met geopolitieke spanningen aan de andere kant van de wereld.
Wat internationale beleggers en oliehandelaren bezighoudt, vertaalt zich binnen enkele weken naar hogere bedragen aan de pomp, hogere prijzen in de supermarkt en een zwaardere last voor huishoudens die al krap rondkomen. Het is een enorme waarschuwing voor beleidsmakers, want enerzijds moeten zij deze prijsschokken opvangen en de sociale impact verzachten, anderzijds moeten ze werken aan structurele veerkracht via energie‑efficiëntie, diversificatie van inkomsten en investeringen in alternatieve energiebronnen. Amper reageren op prijsschommelingen volstaat niet. Het is overduidelijk dat wij het al zwaar hebben. Elke keer weer moeten we leven van leningen en schenkingen. Na 50 jaar onafhankelijkheid zijn we nog steeds afhankelijk van de grillen van grote schuldeisers. Met een olieprijs van boven de USD 100-, zitten we nog verder in de knel.

