De discussie rond de 500.000 SRD die elk ministerie ontvangt voor jaarafsluitingsactiviteiten, legt opnieuw een dieper probleem bloot, namelijk de manier waarop de overheid omgaat met schaarse middelen in een periode van grote economische malasie.
NDP-fractieleider Rabin Parmessar verwoordde het scherp in een gesprek met de media. Zelfs na een forse verlaging blijft een half miljoen per ministerie “nog steeds te veel”, zei Parmessar. Oorspronkelijk was zelfs 2,4 miljoen SRD per ministerie gereserveerd voor feestgerelateerde uitgaven. Pas na protest van Parmessar en enkele andere DNA-leden, is dat bedrag teruggebracht. Maar volgens Parmessar, moet het nog verder omlaag naar 250.000 SRD. Niet omdat feesten verboden zou moeten worden, maar omdat prioriteiten moeten worden gesteld in tijden waarin ministeriegebouwen vervallen, personeel onder druk staat en middelen tekortschieten.
Parmessar benadrukt, dat er al stappen worden gezet richting soberder bestuur.
Er worden geen nieuwe voertuigen aangeschaft voor ministers, en de president rijdt met aanzienlijk minder volgauto’s dan voorheen. Het gaat hem in essentie om mentaliteit: “Iedere cent moeten we tien keer draaien.” Een boodschap die de realiteit van veel Surinaamse huishoudens weerspiegelt. De kern van het probleem is groter, dan alleen geld voor de jaarafsluiting. Waarom wordt er zoveel geld vrijgemaakt voor feestelijkheden, in een tijd waarin sommige ministeries niet eens in hun eigen gebouw zijn gehuisvest, en personen op afdelingen regelmatig staken omdat achterstallige betalingen uitblijven? Wat zegt dat over de prioriteiten van de regering? En belangrijker, wat zegt het over de afstand tussen de bestuurders en realiteit? Natuurlijk, feesten mag. Maar geld verbrassen, wanneer de samenleving van crisis naar crisis schuift, is geen viering het is bestuurlijk onverantwoord. Het is, zoals velen het ervaren, dot prodo. Letterlijk geld uitgeven dat je niet hebt, om vervolgens na de feestdagen, weer terug te keren naar een gehuurd pand, personeelstekorten en grote financiële achterstanden. Het debat over het feestbudget gaat dus niet over feesten, maar over een mentaliteit, prioriteit en de bestuurlijke geloofwaardigheid. Een regering die soberheid predikt, moet haar die ook zelf zeker tonen. Een regering die vraagt om offers, moet eerst bereid zijn zelf offers te brengen. En een regering die vertrouwen wenst te herstellen, begint bij transparant, zuinig en doordacht beleid. De samenleving verdient beleid dat de noden van het land centraal stelt, niet een feestkalender en zijn verkwistingen.


