Al bijna tien jaar staan leerkrachten in Suriname op straat, in vergaderruimtes, op schoolpleinen en bij ministeries, om aandacht te vragen voor iets wat vanzelfsprekend zou moeten zijn, een waardige, stabiele bestaansbasis. De stille acties, de werkonderbrekingen tot 11.00 uur, de massale demonstraties van 2016 en 2017 onder leiding van Wilgo Valies, iedereen herinnert zich die nog. We zijn al bijna tien jaar verder, maar tot nog toe heeft geen enkele regering een structurele oplossing aangedurfd of geleverd. Afgelopen week benadrukte VHP-parlementariër Cedric van Samson dat de financiële positie van zogenoemde ‘strategische groepen’, waaronder leerkrachten, wettelijk moet worden verankerd. Hij stelde dat protesten hooguit tijdelijke salarisverhogingen opleveren, maar geen duurzame verbetering van arbeidsvoorwaarden.
In een interview met TBN zei Van Samson: “Als je elke dag mensen op de been moet brengen om te protesteren, dan verandert je positie niet. Je inkomen gaat niet eventjes met 10 procent omhoog.” Volgens hem is het tijd dat er een Wet Financiële Positie Strategische Groepen komt, een regeling die structurele zekerheid biedt, ook op het gebied van secundaire voorzieningen. Men kan het de leerkrachten niet kwalijk nemen, dat zij blijven protesteren. Petities verdwijnen in een lade, gesprekken leiden tot tijdelijke lapmiddelen, en elke nieuwe regering brengt opnieuw beloften, maar zelden daden. Als protest de enige manier schijnt waarop leerkrachten überhaupt gehoord worden, wat rest hen dan?
Van Samson zei dat hij in de vorige regeerperiode al gesprekken heeft gevoerd met organisaties uit de onderwijssector, maar dat de focus toen uitsluitend lag op het loon. Hij ziet echter mogelijkheden voor een bredere wet, die niet alleen salaris, maar ook andere voorzieningen en zekerheid kan vastleggen. Volgens Van Samson is het niet ingewikkeld te bepalen, wie tot deze strategische groepen behoren: veiligheidsdiensten, zorgmedewerkers en leerkrachten. Tijdens de covid-pandemie werkten deze groepen onder uitzonderlijke omstandigheden. Leerkrachten zorgden, vaak met beperkte middelen, voor alternatieve vormen van onderwijs. De crisis maakte zichtbaar, wat eerder werd genegeerd, deze groepen zijn letterlijk onmisbaar. Juist daarom verdienen zij een aparte wettelijke regeling.
Van Samson vindt het “beschamend” wanneer leerkrachten hun inkomen spiegelen aan dat van DNA-leden, omdat de schadeloosstelling van parlementariërs wettelijk is verankerd en een ander doel dient. Maar het pijnpunt zit minder in de vergelijking, en meer in de realiteit die daaronder schuilgaat, welke minister of parlementariër zou anno 2025 kunnen overleven op het salaris van een leerkracht? En is het niet wrang dat leerkrachten soms beter geschoold zijn dan degenen die uiteindelijk hun lot bepalen? Het is precies deze tegenstelling die maakt dat de discussie zo gevoelig ligt. Leerkrachten zijn de basis van onze samenleving, letterlijk de bouwers van alle andere beroepen. Maar hun behandeling komt vaak neer op bedelen voor wat ze toekomt. Dat is niet alleen oneerbiedig, het is schadelijk voor het land.
Tien jaar protesteren zou voldoende moeten zijn om te erkennen, dat het systeem faalt. Een structurele wettelijke regeling is geen luxe, maar een noodzaak. Want zolang leerkrachten keer op keer de straat op moeten om minimale verbeteringen af te dwingen, blijft de boodschap helder: dieper liggende problemen worden niet opgelost. Het is tijd dat een regering, welke dan ook, eindelijk de moed opbrengt om structurele zekerheid te bieden aan degenen die Suriname dagelijks draaiende houden. Niet door beloftes, niet door tijdelijke verhogingen, maar door wetten die standhouden, ook wanneer kabinetten wisselen. Leerkrachten verdienen beter. En Suriname heeft er alle belang bij dat zij dat ook daadwerkelijk krijgen.


