ERFGOEDFANATISME

Er is in het verleden regelgeving tot stand gekomen die de binnenstad van Paramaribo in een keurslijf van behoud en erfgoedfanatisme gevangen houdt. Met name de keuze om niet per gebouw, maar de binnenstad als geheel te willen preserveren, plaatst ons in de positie dat behoorlijk en logisch onderhoud, langs elfendertig schijven bureaucratie moet. Gezien de invloed van de elites van weleer op de politiek, de handel en de media, ontstaat er regelmatig een volstrekte heksenjacht op eenieder die een stukje eenentwintigste eeuw, een beetje ondernemerschap of wat internationalisme wenst te introduceren, zelfs in concept of als idee. De belangrijkste uiting van het fanatisme is dat de overheid volgens haar eigen regelgeving, drie taken heeft onder de wet. Het aanwijzen van monumenten, het verbieden van handelingen die het monumentaal karakter kunnen schaden en het subsidiëren van behoud en onderhoud. Tot op heden heeft de overheid de honderden panden van privébezitters op geen enkele wijze gesubsidieerd. Sterker nog, haar eigen gebouwen en haar eigen natuur zijn verwaarloosd tot op het punt van publiek gevaar. Bij recente werkzaamheden in het kader van het PURP-project, zijn monumenten door werkzaamheden die in beheer zijn bij de overheid zelf, beschadigd, vervuild en tijdelijk ontoegankelijk gemaakt, zonder enige vorm van tegemoetkoming, herstel of schadevergoeding tot op de dag van vandaag.

Een ander effect is dat hoogbouw volkomen gefrustreerd wordt en groeiende bedrijven zoals banken en verzekeraars met honderden werknemers, tegelijkertijd het centrum verlaten. De state-of-the-art die vereist is op het gebied van communicatietechnologie en fysieke toegangsrestricties om een financieel instituut draaiende te houden, kan vanwege zowel de restricties als de traagheid van de autoriteiten niet gerealiseerd worden, waardoor banken en verzekeraars, die graag hun voorgeschiedenis van tientallen en soms honderden jaren zouden willen voortzetten in het gebied, moeten verhuizen. Het gemis van honderden actieve werknemers met koopkracht voor horeca en kleine ondernemers in de omgeving, maakt het gebied tot een spook- en zwerversstad. De leegstand op sommige van de locaties, die in ieder ander stedelijk gebied als premium beschouwd zouden worden, is bedroevend en gevaarlijk. Dan is er nog brand- en instortingsgevaar, waarop de autoriteiten met een gebrek aan realisme en een overmaat aan nonchalance en arrogantie reageren. Dezelfde wetgeving die zij ontwijken en als dode letter beschouwen, als het om subsidie gaat, misbruiken zij om organisaties en personen te verplichten om desnoods met risico op verliezen en op dreiging van het voortbestaan, in de rode cijfers te gaan om het risico van brandgevaar en instorting met de duurste opties te lijf te gaan, naar de strikte en vaak willekeurige wensen en verlangens van de autoriteiten. Wat niet te missen valt, is dat de omschrijving van onze plaats op de werelderfgoedlijst, nadrukkelijk het koloniale verleden en de Europese invloed vermeldt. Zou een rechtstreekse bijdrage vanuit de kolonisatoren – en ja, het waren er meer dan één – en vanuit het verenigde Europa op de plaats zijn voor een behoudsagenda? Het zou lang niet het enige voorbeeld van werelderfgoed zijn dat van een dergelijke bijdrage profiteert. Hun onderdelen van onze gezamenlijke geschiedenis, waar wij overigens nooit voor gekozen hebben, kan niet alleen onze financiële verantwoordelijkheid zijn, wanneer wij als land in ontwikkeling in financiële zin behoorlijk achterlopen op wat hun economie kan dragen. Historie heeft een plek, maar er kan niet in geleefd, gewoond en gewerkt worden. Wij leven in het heden, moeten voort naar een toekomst, en als onze huidige opvattingen over monumenten een belangrijk gebied onleefbaar, onwerkbaar en onexploiteerbaar maken, moeten wij over herziening van het beleid in discussie gaan, zonder door fanatisme in de weg gezeten te worden.

More
articles