“Als ik heb gewonnen, dan kan niemand mij weghalen als vicepresident.” De woorden van Ronnie Brunswijk, uitgesproken met een onwrikbare zekerheid, geven een verontrustend inzicht in hoe sommige politici macht ervaren, niet als middel om te dienen, maar als trofee die hun status verheft. De ABOP-voorzitter eist één van de drie hoogste machtsposities in het land en schermt openlijk met een politieke rekensom: zonder de ABOP kunnen de overige partijen geen president kiezen. Daarmee plaatst hij zijn partij niet als constructieve partner in een coalitie, maar als onmisbare sleutel tot macht – een positie die hij schaamteloos gebruikt, om druk uit te oefenen. Dit gedrag laat geen toonbeeld van leiderschap zien, maar van politieke intimidatie. Brunswijk lijkt ervan overtuigd, dat de machtsstructuur van het land om hem draait, zijn partij en zijn positie. En dat is gevaarlijk, want zodra iemand zichzelf ziet als ‘onvervangbaar’, is het fundament van de democratie, namelijk dat macht tijdelijk, delend en dienstbaar is, aan het wankelen gebracht. Er is niets mis met politieke ambitie. Maar wanneer een partijleider zijn eventuele verkiezing tot vicepresident presenteert als iets wat hem niemand meer kan afnemen en tegelijkertijd suggereert dat andere politici ‘hem nodig hebben’, dan is dat veel meer dan bravoure. Het is een zorgwekkend voorbeeld, van hoe politieke macht verslavend kan worden en leiders begint te verblinden.
De ironie is schrijnend, Brunswijk spreekt over openheid en eerlijkheid in de machtsverdeling, terwijl zijn eigen houding bol staat van gesloten deals, berekende uitspraken en strategische aanbiedingen c.q. eisen. Hij sluit zelfs steun van een VHP-lid niet uit, puur om zichzelf op het politieke speelbord te houden. Zo wordt politiek gereduceerd tot een spel van posities, en verdwijnt de burger, die echte vertegenwoordiging verdient, volledig uit beeld.
Gelukkig schijnt er nu binnen de nieuwe coalitie weer rust te zijn. Maar laten we niet naïef zijn. Zolang politiek draait om ego’s in plaats van inhoud, en om posities in plaats van principes, blijft het risico bestaan, dat diezelfde ‘onbetwiste leider’ terugkeert op zijn schreden. En dan niet om te dienen, maar om te domineren. De democratie vraagt om leiders met visie, niet om machtswellustelingen. En Suriname heeft recht op een bestuur dat werkt aan opbouw, niet aan zelfverheerlijking.


