De SEOGS 2025 lijkt opnieuw een succes in aantallen, aankondigingen en internationale belangstelling. Groots in opkomst, rijk aan beloftes, maar arm aan bindende kaders. Terwijl bedrijven miljoenenprojecten aankondigen en leiders spreken over een “energie-toekomst voor Suriname”, blijft de basisinfrastructuur voor echte nationale meerwaarde pijnlijk achter.
President Santokhi benadrukte vorig jaar al het belang van local-content, het betrekken van Surinaamse bedrijven en arbeidskrachten bij de oliesector. Toch ontbreekt het anno 2025 nog altijd aan wetgeving die lokale participatie afdwingt of zelfs maar structureel stimuleert. Niet alleen vanuit De Nationale Assemblee, waar overigens wel initiatiefwetgeving door vooruitziende leden in voorbereiding was, maar vooral op het niveau van regelgeving zoals resoluties en beleidsrichtlijnen die Santokhi geheel in eigen beheer had. Wat dan overblijft is de hoop op goodwill van multinationals, een risico dat een land met beperkte onderhandelingsmacht, zich eigenlijk niet kan veroorloven. De verwachting is dat Suriname op zijn vroegst pas vanaf 2028 inkomsten zal genereren uit offshore olie. Maar de vraag die iedere beleidsverantwoordelijke zich zou moeten stellen, is: Wat gebeurt er met die inkomsten? Tot op heden blijft het plan voor een spaar- en stabilisatiefonds vaag en politiek onvolwassen. Bovendien hebben de schuldeisers de eerste keus voor grofweg een kwart miljard USD aan eerste inkomsten. Terwijl landen als Guyana al miljarden opzij zetten in soevereine fondsen, is het Surinaamse model niet meer dan een intentie op papier.
SEOGS toont wat kán als iedere mazzel die we kunnen hebben, gelukkig en voorspoedig verloopt. Maar de vraag is, wat zal. Zonder afdwingbare wetgeving, transparant financieel beheer en duidelijke prioriteiten voor duurzame ontwikkeling, blijft de hype rond olie en gas slechts een hype. Glimmende podia, volle zalen en buitenlandse sprekers kunnen de schaduw niet verbergen van wat Suriname vandaag nog niet heeft geregeld. En welke keuzes er wel gemaakt zijn, zoals volledig proberen te participeren met een schuldenlast die de bezittingen van Staatsolie op de balans ruim overstijgt. Een schuldenlast waarover nu al renteverplichtingen naar obligatiehouders lopen, terwijl niemand een definitieve productiedatum met enige zekerheid kan voorspellen. Energie voor de toekomst begint bij beleid van vandaag. Anders riskeren we dat de enige duurzame opbrengst van deze olie hausse de herinnering is aan gemiste kansen – het resultaat van een collectieve oil & gas mania, waarin de hype het beleid oversteeg. Terwijl al grofweg een derde van de Santokhi-Brunswijk begroting steunt op opbrengsten van Staatsolie, die een cashflow-herziening zal moeten ondergaan als gevolg van hoeveel deze regering via dit bedrijf geleend heeft, namelijk meer dan in de gehele geschiedenis van het bedrijf voorafgaand aan 2020.

