September 10, 2019


Wederpartijen rechtszaak Hakrinbank vragen uitstel


September 10, 2019

Gisteren ging de rechtszaak voor die de aandeelhouders van de Hakrinbank hebben aangespannen tegen de directie, Raad van Commissarissen van de Hakrinbank, de Centrale Bank van Suriname en de Staat Suriname, in het bijzonder het ministerie van Financiën. De Staat Suriname wordt vertegenwoordigd door Mr. Ishaak, Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. door Mr. H. Lim A Po, Jr., de Centrale Bank van Suriname door Mr. K. Kraag-Brandon en Mr. M.G.A. Vos, en de Hakrinbank N.V. en alle functionarissen door Mr. E. Naarendorp. De aandeelhouders hebben een lijvig verzoekschrift ingediend. Door de wederpartijen is er schriftelijk verzocht om uitstel, met als hoofdreden complexiteit. Hiertegen heeft de advocaat van de aandeelhouders, Antoon Karg, per brief protest aangetekend. De zaak gaat 8 oktober weer voor en dan zullen de wederpartijen de punten uit het verzoekschrift moeten verdedigen. De redactie van De West had vorige week aangekondigd, dat het verzoekschrift in extenso gepubliceerd zou worden. Leest u verder : Vordering in kort geding Verzoekschrift  aandeelhouders Hakrinbank Verzoekers wensen bij deze de navolgende vordering in te stellen in kort geding, tegen:
  1. De Staat Suriname, met name het Ministerie van Financiën, rechtspersoon, zetelend te Paramaribo aan de Tamarindelaan nr. 3, in rechte en mitsdien ten deze vertegenwoordigd ingevolge artikel 146 Grondwet door de Procureur-Generaal bij het Hof van Justitie van Suriname, domicilie hebbende te zijnen parkette aan de Limesgracht nr. 92 te Paramaribo,
  2. De naamloze vennootschap Staatsolie Maatschappij Suriname N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Dr. Ir. H.S. Adhinstraat no. 21,
  3. De Centrale Bank van Suriname, rechtspersoon,[1] gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo aan de Waterkant nr. 20,
  4. De Handels-, Krediet- en Industriebank N.V., afgekort Hakrinbank N.V., rechtspersoon, gevestigd en kantoorhoudende te Paramaribo Dokter Sophie Redmondstraat nr. 11-13,
  5. De heer Sheorajpanday, Raviek, zonder bekende woon- of verblijfplaats,
  6. Mevrouw Keerveld, Magalie, zonder bekende woon- of verblijfplaats,
  7. De heer Roemer, Maurice, zonder bekende- woon of verblijfplaats;
  8. Mevrouw Lautan-Wijnerman, Marita, zonder bekende woon of verblijfplaats;
  9. De heer Schurman, Humphrey, zonder bekende woon of verblijfplaats
  10. De heer Peneux, Patrick Ray, wonende in het district Paramaribo
  11. Mevrouw Doekhie, Chantal, zonder bekende woon of verblijfplaats
  12. De heer Valk, Coenraad, wonende in het district Paramaribo
Te dezer zaken Gerekestreerden, hierna te noemen Gedaagden. Partijen
  1. Verzoekers zijn aandeelhouders in de Hakrinbank N.V., gevestigd te Paramaribo.
  2. Gedaagde sub D.,  Handels-, Krediet- en Industriebank N.V., afgekort Hakrinbank N.V., hierna te noemen: ‘Hakrinbank’ is een Kredietinstelling in de zin van artikel 1 lid 1 sub b. Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011[2] en valt onder het toezicht van Gedaagde sub C., de Centrale Bank van Suriname, ‘de Bank’, onder artikel 1 lid 1 sub a. Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011, mede ex artikel 9 Bankwet 1956[3] en hierna te noemen: ‘CBVS’.
(productie 1: uittreksel Handelsregister betreffende Hakrinbank)
  1. Het aantal uitstaande aandelen in het kapitaal van de Hakrinbank bedraagt 522.998.[4]
  2. Gedaagde sub A., De Staat Suriname, hierna te noemen ‘De Staat’, heeft een aandelenbelang, groot 51% van het aandelenkapitaal van Hakrinbank, minstens sedert 1973, toen de Staat het aandelenbelang verwierf in de toenmalige Vervuurtsbank N.V., thans Hakrinbank. Gedaagde sub B., Staatsolie Maatschappij Suriname N.V., hierna te noemen ‘Staatsolie’ heeft een aandelenbelang groot 6,25% van het aandelenkapitaal van Hakrinbank. De Staat is de enige aandeelhouder in het aandelenkapitaal van Staatsolie en heeft de volledige vennootschappelijke zeggenschap over Staatsolie.
  3. Gedaagde sub E, en sub F. zijn de Algemeen Directeur, respectievelijk de Financieel Directeur van de Hakrinbank en vormen tezamen de Directie als omschreven in artikel 13 Statuten Hakrinbank en zijn bestuurder in de zin van artikel 5 lid 1 WTK.
  4. Gedaagden sub G. tot en met L. zijn Commissaris bij de Hakrinbank en vormen tezamen de Raad van Commissarissen als omschreven in artikel 20 Statuten Hakrinbank en in de zin van artikel 5 lid lid 2 WTK.
Juridisch Kader en gebrek aan naleving WTK
  1. Op 22 november 2011 is de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen in werking getreden. Hakrinbank en overige gedaagden, waren terdege op de hoogte van de wetgeving, althans, behoorden dat te zijn. Enkele relevante bepalingen betreffen:
Artikel 20 WTK:
  1. Het is een natuurlijke- of rechtspersoon verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank:
  2. een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling te houden, te verwerven of te vergroten;
  3. enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling, uit te oefenen.
  4. Het is iedere natuurlijke- of rechtspersoon verboden een deelneming van meer dan 20 procent van het geplaatst aandelenkapitaal van een kredietinstelling te houden of te verwerven.’
  1. De gekwalificeerde deelneming is in artikel 1 lid 1 sub e. WTK als volgt gedefinieerd:
‘gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van ten minste vijf procent van het geplaatste aandelenkapitaal van een rechtspersoon, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van ten minste vijf procent van de stemrechten in een rechtspersoon, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een rechtspersoon.’ Het belang van de Staat Suriname en van Staatsolie in het kapitaal van Hakrinbank, kwalificeren beiden als gekwalificeerde deelnemingen van de Staat, maar voorts, als gekwalificeerde deelneming van Staatsolie. Voorts kwalificeren het rechtstreeks en het middellijk belang, door de Staat gehouden in het kapitaal van Hakrinbank, voorts als een deelneming als onder artikel 20 lid 2 WTK verboden.
  1. Bij inwerkingtreden van de wet, op 22 november 2011 kwam op houders van gekwalificeerde deelnemingen een nadrukkelijke, actieve verplichting te rusten, namelijk als omschreven in artikel 20 lid 3 WTK:
‘De houder van een gekwalificeerde deelneming is verplicht binnen drie maanden na inwerkingtreding van deze wet, de toestemming als bedoeld in lid 1 bij de Bank aan te vragen. De aanvrager is verplicht haar deelneming binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet te reduceren en af te bouwen tot een door de Bank te bepalen percentage.’
  1. Toepassing van deze bepaling heeft als rechtsgevolg, dat de uiterste datum voor aanvraag van toepassing 22 februari 2012 zou zijn geweest, hetgeen de Staat en Staatsolie verzuimd hebben. De uiterste datum voor naleving van de wettelijke verplichting tot reductie van de aandelenpositie tot een deelneming van minder dan 5% door ieder der laatstgenoemden, was 22 november 2014.
  2. Subjectief, daadwerkelijk bewustzijn van de geldende regelgeving betreffende marktmacht concentratie[5] was bij Hakrinbank aanwezig, evenals kennis van WTK en de daarin vervatte bepalingen. Dit is expliciet tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders, door aandeelhouders onder de aandacht van de directie gebracht gebracht.[6] De ernst van de wetgever waar het naleving van deze bepalingen betreft, blijkt voorts uit het feit dat artikle 55 WTK overtreding niet slechts strafbaar stelt, maar bestraffing als misdrijf als sanctie bepaalt.
(productie 2: Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2014, d.d. 14 mei 2015) (productie 3: Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016)
  1. De Staat en Staatsolie, hebben geruime tijd in strijd met de wet, hun gekwalificeerde deelneming in stand gelaten en alle normaal gesproken daaraan verbonden rechten, inclusief zeggenschap, uitgeoefend, onder meer door het voordragen van commissarissen en het uitoefenen van aan de aandelen verbonden stemrecht, zulks voorts onder expliciet, juridisch gemotiveerd protest van overige aandeelhouders en in weerwil van deskundige adviezen tot naleving van de wet. De Hakrinbank, haar Directie en haar Raad van Commissarissen hebben deze gedragingen, ondanks de overtreding van de wettelijke bepalingen, toegelaten en daaraan bijgedragen, althans zich daar niet of onvoldoende tegen verzet.
  2. CBVS heeft geruime tijd, geen voor de aandeelhouders merkbare sancties gesteld op de gedragingen zijdens de houders van gekwalificeerde deelnemingen. Dit ondanks het feit, dat zij mede geadresseerde is geweest van kopieën van correspondentie over dit onderwerp, door overige aandeelhouders gericht aan de houders van gekwalificeerde deelnemingen, evenals aan de Directie en Raad van Commissarissen. Voorts heeft CBVS van de bezwaren, aanwezig onder de aandeelhouders, tegen de gedragingen zijdens de Staat en Staatsolie, kennis kunnen nemen, door kennisneming van de notulen van de algemene vergaderingen van aandeelhouders van de Hakrinbank, waar het onderwerp meermaals ter sprake gekomen is. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de overige gedaagden, door hun aanwezigheid, dan wel vertegenwoordiging, tijdens deze algemene vergaderingen van aandeelhouders, dan wel de toegang die hun functie hen bood.
  3. Bij schrijven d.d. 29 juli 2016, hebben de Staat (in een brief met kenmerk La. F. No. 505/16/Min) en Staatsolie (in een brief met kenmerk FD2016-015) zich, kennelijk met een aanvraag ex artikel 20 WTK gewend tot CBVS als toezichthouder, met het verzoek om toestemming hun gekwalificeerde deelneming te mogen behouden. Dit gebeurde op een tijdstip, dat de verzuim tot naleving van de wettelijke bepalingen van rechtswege reeds was ingetreden. Voorts was alle zeggenschap in de periode 22 november 2014 tot en met 29 juli 2019 ongeoorloofd. Artikel 20 lid 1 aanhef WTK, bepaalt namelijk dat de toestemming voorafgaand verkregen dient te worden. De sanctie hierop, is blijkens artikel 20 lid 8 WTK, vernietigbaar. Het vernietigbaar karakter heeft bij recente algemene vergaderingen van aandeelhouders, geleid tot onzekerheid in besluitvorming en blijkens notulen, erkenning van het vernietigbaar karakter door de Raad van Commissarissen.[7] Hoegenaamd, is de CBVS er begin augustus 2016 echter ertoe overgegaan de Staat aan te schrijven en te beschikken als volgt.
  4. Ten aanzien van de Staat:
  1. Het aandelenbelang van de Staat en Staatsolie in samenhang met elkaar te beoordelen.
  2. Geen uitzonderingsbepaling van toepassing te achten als in de Memorie van Toelichting bij WTK omschreven,
  3. Van de Staat te verlangen, dat het belang in het aandelenkapitaal van Hakrinbank dient worden afgebouwd;
  4. Nader overleg met de Staat te plegen in het eerste halfjaar van 2017 aangaande modaliteiten die kunnen worden toegepast om binnen een periode van twee jaar na dato van de brief tot afbouw te geraken.
Het besluit geeft er geen blijk van, dat toestemming zou zijn verleend om het uitoefenen van zeggenschap, verbonden aan de gekwalificeerde deelneming,ū in de kredietinstelling uit te oefenen. Hakrinbank, de Directie en Raad van Commissarissen, zijn in aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de Staat en Staatsolie hierop gewezen tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 19 juni 2017.[8] (productie 4: brief CBVS d.d. 2 augustus 2016)
  1. Ten aanzien van Staatsolie:
  1. het aandelenbelang van de Staat en Staatsolie in samenhang met elkaar te beoordelen.
  2. Staatsolie toe te staan, dat het belang in het aandelenkapitaal van Hakrinbank tot uiterlijk 31 december 2018 te behouden;
  3. Nader overleg met de Staatsolie te plegen aangaande modaliteiten om haar deelname in het aandelenkapitaal van Hakrinbank conform de wettelijke voorzieningen te regelen.
  1. Het besluit geeft er geen blijk van, dat toestemming zou zijn verleend  voor het uitoefenen van zeggenschap, verbonden aan de gekwalificeerde deelneming in de kredietinstellin. Integendeel, dient de verwijzing naar ‘deelname conform wettelijke voorzieningen te regelen’ opgevat te worden als een impliciete onderschrijving van het verbod op uitoefenen van zeggenschap, verbonden aan de gekwalificeerde deelneming, ook in de periode voorafgaand aan 31 december 2018.
(productie 5: brief CBVS d.d. 3 augustus 2016)
  1. De door CBVS aangezegde periode voor afbouw is niet daartoe benut, althans heeft daar niet in geresulteerd. Ondanks het feit, dat de Minister van Financiën, vertegenwoordiger van de Staat op 26 januari 2017, zakelijk weergegeven aan de Hakrinbank per brief te kennen gaf als volgt.
  1. De motieven die leidden tot verwerving van de gekwalificeerde meerderheid zijn niet meer aan de orde.
  2. De Staat staat positief tegenover afbouw van haar aandelenkapitaal tot 20% op korte termijn.
(productie 6: brief Minister van financien d.d. 26 januari 2017)
  1. Tijdens de periode welke voor afbouw benut diende te worden, heeft de Staat onverkort haar illegitiem zeggenschap benut, door ondanks bezwaren van aandeelhouders[9] commissarissen te blijven benoemen en de impliciete inconsistentie met haar besef van de gevolgen van WTK.
  2. In een schrijven d.d. 3 juli 2018, heeft CBVS de Hakrinbank geïnformeerd toestemming te hebben verleend aan onder meer de Staat en Staatsolie hun gekwalificeerde meerderheid vooralsnog nog te behouden. Hoewel in de brief is aangegeven, dat de CBVS de aandeelhouders in kwestie ‘geen beperkingen heeft opgelegd, die verband houden met het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan deze gekwalificeerde deelnemingen.’, mag er niet vanuit gegaan worden, dat hiermee zeggenschap aan de Staat en Staatsolie toekomt. Artikel 20 WTK bepaalt namelijk niet dat er wel of geen beperkingen opgelegd dienen te worden door CBVS, doch, dat zonder voorafgaande toestemming van CBVS, het verboden is enig zeggenschap verbonden aan de gekwalificeerde deelneming uit te oefenen. De rechtssituatie is derhalve een wettelijk verbod, waarop het CBVS vrijstaat, toestemming tot afwijking te verlenen.
Er is dus geen rechtshandeling vereist voor beperking, maar juist voor een tijdelijke vrijstelling van de van rechtswege bestaande wettelijke beperking. Van een dergelijke tijdelijke vrijstelling is niet gebleken en mag niet uitgegaan worden. Overigens stellen Verzoekers zich op het standpunt dat alle verleende toestemmingsbrieven nietige besluiten zijdens CBVS betreffen, althans rechtskracht missen, hetgeen hieronder nader toegelicht zal worden. (productie 7: brief CBVS 3 juli 2018)
  1. Tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 10 juli 2018 is door een aandeelhouders, namens een overige aandeelhouders, waaronder een aantal der Verzoekers ten deze, maar voorts oud directieleden, oud commissarissen en oud president-commissarissen van de Hakrinbank, een extensief gemotiveerde en juridisch onderbouwde motie ingediend, met het voorstel:
[…] een besluit te nemen houdende de opdracht aan de Raad van Commissarissen, althans de president-commissaris, en de Directie van Hakrinbank N.V. om erop toe te zien dat de Staat Suriname, in samenhang met Staatsoliemaatschappij Suriname, geen zeggenschap uitoefent in de besluitvorming van de AVA Hakrinbank N.V.’
  1. Het besluit is geheel conform artikel 31 en 32 Statuten Hakrinbank bij acclamatie aangenomen. Besluit middels applaus is gangbaar, statutair en heeft in recente vergaderingen van aandeelhouders als wijze van besluitvorming gediend in onderwerpen variërend van benoeming huidige Directeur, Gedaagde sub E. in de vergadering van 2015, afwijzing van ongewenst stemmen bij acclamatie tijdens de vergadering van 2017 en de herbenoeming van commissarissen tijdens de vergadering van 2016. Een aantal aandeelhouders hebben de Hakrinbank en de overige betrokkenen, evenals de Centrale Bank van Suriname (hierna: CBvS) als toezichthouder, aangeschreven en gesommeerd, zich te conformeren aan de regelgeving ter zake. Gedaagden blijven in verzuim en daarmee in overtreding van artikel 20 WTK.
(productie 8: brief d.d. 30 juli 2019 aandeelhouders) (productie 9: brief d.d. 31 juli 2019 Directie en Raad van Commissarissen)
  1. Gedaagden sub H. tot en met L., tezamen de Raad van Commissarissen hebben bijgedragen aan de publicatie van misleidende informatie met betrekking tot naleving van WTK, onder meer in het Jaarverslag 2018, alwaar een verkeerde weergave van de normen vervat in de wet, is gegeven, ondanks de aanwezigheid van minstens drie gerenommeerde juristen in hun midden, van wie de kennis voldoende geacht is, om toezicht op en eventueel waarneming van het bestuur van de Hakrinbank toe te vertrouwen. In voornoemd jaarverslag[10] is vermeld:
  1. ‘Volgens WTK is voor het aanhouden of verwerven van een belang van meer dan 5% in het geplaatst kapitaal van een kredietinstelling goedkeuring vereist van CBVS, terwijl het aanhouden van een belang groter dan 20% door een aandeelhouder niet is toegestaan, behoudens de in voornoemde wet genoemde uitzonderingsgevallen’
  2. ‘Tevens is afgesproken dat bij overtekening, de Staat haar aandelen zal verkopen tot het wettelijk toegestane maximum van 20%.’
  1. Het wettelijk toegestaan maximum is minder dan 5%, niet 20%. De vermindering tot 35% is geen oplossing en leidt evenmin tot conformiteit met WTK. De juridische interpretatie, als vooromschreven door Verzoekers, is in een persoonlijk gesprek daags voorafgaand aan de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 10 juli 2018 aan de aandeelhouder die het punt ter vergadering ter sprake bracht, door de toenmalige Governor van CBVS bevestigd.
Bemoeienis van de Staat bij Bankbedrijf
  1. Uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 26 juli 2016 blijkt, dat de staat zich in flagrante strijd met WTK actief bemoeit met het benoemingsbeleid van commissarissen:
‘Voorts werd de bank verrast door het plotselinge verzoek van de grootaandeelhouder [de Staat, invoeging advocaat] om drie commissarissen te vervangen in afwijking van het gangbare rooster van aftreden.[11]
  1. Eenmaal benoemd, hebben de nieuw benoemde commissarissen verkiezing van een nieuwe President-Commissaris in afwijking van de daarvoor bestaande gewoonten en afspraken, in een raadsvergadering gearrangeerd.[12] Overigens, is het besluit daartoe nimmer aan de algemene vergadering van aandeelhouders gepresenteerd, zodat dit lichaam het besluit niet aan de hand van artikel 24 Statuten Hakrinbank heeft kunnen toetsen.
  2. De Staat en Staatsolie hebben in 2016 en 2017 middels aanvaarding van stockdividend het aantal aandelen in hun bezit verruimd en daarmee haar aandelenpositie onverkort, in strijd met artikel 20 WTK, vergroot, ondanks hevig protest zijdens de overige aandeelhouders.[13] Zulks overigens, zonder toestemming daartoe van CBVS. CBVS heeft in haar toezicht verzuimd door hier geen maatregelen tegen te nemen.
  3. Hakrinbank heeft haar kapitaal- en dividendbeleid middels besprekingen met de Staat en Staatsolie als grootaandeelhouders in 2015 en/of 2016 besproken, terwijl overige aandeelhouders daar niet gelijkelijk toe uitgenodigd zijn, hetgeen een separaat geval van zeggenschap als in strijd met artikel 20 WTK aantoont.[14] Het baart voorts zorgen, dat ondanks de intentie tot afbouw en lippendienst bewezen aan naleving van WTK, de Raad van Commissarissen in verslaglegging over boekjaar 2018 aangeeft:
‘Daarnaast zijn er stappen genomen voor een actievere dialoog met de aandeelhouder.’[15]
  1. Voorts heeft de Staat, zonder daarbij met de overige aandeelhouders enig overleg te voeren en buiten de algemene vergadering van aandeelhouders en in afwijking van artikel 13 Statuten Hakrinbank, ingelaten met het ontslag van een directielid dat breed draagvlak van alle stakeholders genoot.
(productie 10: brief d.d. 21 mei 2018)
  1. Dit, terwijl er juist een toezegging gedaan, herhaald en bevestigd is door de Raad van Commissarissen om de niet-overheidsaandeelhouders te betrekken bij het proces van bemensing van de topstructuur van de Hakrinbank, een toezegging waar nimmer uitvoering aan gegeven is.[16]
(productie 11: Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2017 d.d. 10 juli 2018) Risico’s en nadelen voor het bankbedrijf
  1. Algemeen is aanvaard, dat machtsconcentraties binnen banken van specifieke aandeelhouders die hun investering zien als een commerciële aangelegenheid voor winstneming  (dividenduitkering) aanleiding vormen voor aansturing op een hogere risico appetijt om dat doel te verwezenlijken. Het belang van de resterende aandeelhouders, de bank zelf en de klanten van de banken worden daardoor aan dat doel ondergeschikt gemaakt. Dit geldt ook voor machtsconcentraties die specifiek betrekking hebben op andere, niet commerciële, eigen belangen van meerderheidsaandeelhouders en door hen voor dat eigen belang nagestreefde doelen. Aandeelhoudersconcentratie van overheden binnen banken kunnen aansturen op realisaties van overheidsdoelen die niet parallel lopen met de good governance uitgangspunten van de betreffende bankinstelling en van de bankensector en kunnen zelfs de integriteit daarvan aantasten.
  2. Het aandeelhoudersbelang dreigt ook dan voor het belang van de rechtspersoonlijkheid bezittende kredietinstelling, of zelfs het algemeen belang van overige aandeelhouders (en bij banken: rekeninghouders) te gaan. Om dit soort risico’s tegen te gaan zijn dus de bepalingen voor beperking van machtsconcentraties in de wettelijke toezicht regelingen opgenomen, met een grote verantwoordelijkheid voor de toezichthouder, de CBVS voor een onafhankelijke objectieve handhaving van deze risico beperkingen.
  3. De toelichting bij WTK geeft in dit kader verdere uitleg over het verbod op machtsconcentratie: ongezonde machtsconcentratie binnen de kredietinstelling moet worden tegengegaan en er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden wil dit worden toegestaan, waarbij direct en met name wordt gelet op de positie van de Staat. Uit deze toelichting volgt helder en duidelijk dat de Staat alleen toestemming kan krijgen om een gekwalificeerde deelneming aan te houden in een kredietinstelling wanneer deze instelling speciaal wordt opgericht voor het verlenen van diensten waarin de private sector niet of onvoldoende voorziet. Dit is niet het geval bij een bestaande primaire bank waarin de Staat deelneemt.
  4. Een politiek georiënteerde (staats-)machtsconcentratie in de financiële sector wordt internationaal onderkend als ongewenst en in bijvoorbeeld de Europese Unie (alle leden) en de Verenigde Staten van Amerika opererende bancaire toezichthouders, wettelijk verankerd, onafhankelijk van de politieke regeringen.  Dit aspect wordt nog eens versterkt door de abominabele schuldenlast van de staat, die voor een bedrag van ruim 2.6 miljard SRD gefinancierd is door het lokale bankwezen, met een indicatie van forse verdere verhogingen in de niet door voldoende inkomsten gedekte begroting voor het komend dienstjaar. De Directie van de Hakrinbank erkende eerder:
‘Bij audits door correspondentbanken en andere buitenlandse relaties wordt inderdaad ook gelet op het onafhankelijk functioneren van de organen van de bank.’ De Directie rapporteerde voorts als volgt: Het aandeel van de Staat in de totale kredietverlening, steeg naar ruim 22%.[17]
  1. Aandeelhouders hebben er belang bij dat hun investering gewaarborgd wordt door rechtens afdwingbare wettelijke verplichtingen van toezicht op de banken waarin zij investeren door het nemen van aandelen. Ongeoorloofde machtsconcentratie is een onaanvaardbaar risico voor deze beleggers, maar ook een onaanvaardbaar systeemrisico voor de sector en dus voor de Staat. Er is geen enkel algemeen of bijzonder belang te identificeren dat deze machtsconcentratie vergt. CBVS, als wettelijk toezichthouder en uitvoerder van deze wet zal robuuste handhaving moeten tonen en bij gebreke daarvan, in principe, door belanghebbenden, zoals  aandeelhouders die een rechtstreeks belang hebben bij naleving van de wettelijke bepalingen, tot nakoming van die handhaving van de wet kunnen worden verplicht door U, Edelachtbare Kantonrechter.
  2. Rechtsgevolg van deze ongeoorloofde gang van zaken, is vernietigbare besluitvorming ex artikel 20 lid 8 WTK, hetgeen schadelijk voor het bankbedrijf van Hakrinbank is, omdat in het commercieel verkeer, de rekeninghouder, de werknemers, de handelspartners en overigen, geen rechtszekerheid genieten bij de rechtshandelingen aangegaan door of mede ten gevolge van vernietigbare besluiten.
  3. Meest concreet, hebben aandeelhouders voorafgaand aan de algemene vergadering van aandeelhouders al per exploit de onrechtmatigheid van uitoefening van  zeggenschap door de Staat en Staatsolie, gemotiveerd. Desondanks heeft de Staat gebruik gemaakt van haar zeggenschap, door voordracht van een overheidscommissaris ter benoeming. het uitoefenen van stemrecht bij besluiten betreffende de benoeming van zowel de door haar voorgedragen als dd (nominaal) niet door haar voorgedragen commissaris, evenals aanname van de jaarrekening en het voorstel voor winstbestemming. Alle voornoemde besluiten zijn ter vergadering afgekeurd middels tegen stemmen, dan wel onthouden van stemming op expliciet verzoek van de President-Commissaris als voorzitter van de vergadering, ter blijke van afkeuring. Deze en alle besluiten genomen bij de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 30 juli komen voor vernietiging in aanmerking. Hangende het verzoek daartoe in een in te stellen vordering in bodemprocedure, verzoeken Verzoekers opschorting van voornoemde besluiten.
Benadeling aandeelhouders
  1. Over het boekjaar 2015 werden aandeelhouders geconfronteerd met het besluit dat minder dividend[18] uitgekeerd zou worden dan volgens de afspraken, medegedeeld in een verlate algemene vergadering van aandeelhouders en onder gebrekkige informatievoorziening. Het meest schokkende, bleek de aanleiding van de vertraging, namelijk door Hakrinbank als volgt uitgelegd:
‘Voorts heeft het plotselinge verzoek van de minister van Financiën om drie leden van de RvC te vervangen die niet aan de beurt waren van aftreden ook vertragend gewerkt.’[19] Aandeelhouders hebben ter vergadering hun beklag over de benoeming van politiek gelieerde personen kenbaar gemaakt[20] en zorgen geuit over de geschiktheid van dergelijke personen in de zin van artikel 106 Wetboek van Koophandel.[21] De Staat heeft zelfs iedere toelichting jegens de overige aandeelhouders bij onwettig gebruikmaking van haar zeggenschap geweigerd op de algemene vergadering waar dit ter sprake kwam, blijkens de notulen: ‘De heer Gits geeft aan dat hij zich zorgen maakt over de continuïteit van de kennis binnen de RvC gelet op de substantiële wisseling van de leden van de RvC en vraagt hoe de RvC er zelf tegenover staat evenals de imagoschade door 4 leden te vervangen. De heer Sandvliet geeft aan dat er een rooster is van aftreden om dit te voorkomen. Hij vindt het niet een gewenste situatie, maar het is wel een voorrecht van de grootaandeelhouder om zo te handelen. De heer Gits vraagt of de grootaandeelhouder zou kunnen aangeven waarom voor deze aanpak wordt gekozen. De vertegenwoordiger van de grootaandeelhouder, de heer Tawjoeram, geeft aan geen behoefte te hebben om antwoord op deze vraag te geven.’[22]
  1. Op voornoemde vergadering kwam overduidelijk naar voren, dat kandidaten teruggetreden zijn op nadrukkelijk verzoek van de Staat en in een bijzonder geval op persoonlijk verzoek van de Minister van Financiën, een politieke ambtsdrager. De politieke signatuur van de benoemingen is erkend tijdens voornoemde vergadering.[23] Terwijl bij de vergadering in 2016 geweigerd werd openheid van zaken te geven over de opdracht tot afbouw en de voorwaarden van de toezichthouder, werd tijdens de vergadering in 2017, onterecht en onjuist door de toenmalige President-Commissaris, aan de vergadering voorgehouden, dat de besluiten en voorwaarden van de toezichthouder, uitvoerig in eerdere vergaderingen toegelicht zouden zijn.[24] In het verslag van de directie over het boekjaar 2017, is vervolgens door de Hakrinbank juist aangegeven dat het onafhankelijk functioneren van alle leden van de Raad van Commissarissen een aandachtspunt is.[25]
  2. In een periode waarin de winst en het dividend daalden, werd desondanks besloten om de remuneratie van Commissarissen, een meerderheid in functie wegens overheidsvoordracht, met 50% te verhogen, ondanks bezwaren van overige aandeelhouders.[26] Een en ander is in strijd met artikel 106 jo. 127 Wetboek van Koophandel. In 2019 is zelfs besloten in het geheel geen dividend uit te keren. Ter algemene vergadering bleek, dat de reden hiervoor gelegen was in de BIS ratio, die ernstig gedaald was, door het nemen van een gekwalificeerde deelneming, op haar beurt, door Hakrinbank, in een verlieslatende concurrent.
(productie 12: Notulen bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 7 maart 2018)
  1. Daarnaast is al meerdere jaren een stijging in de beleggingen in schatkistpapier merkbaar, die de Hakrinbank en haar aandeelhouders niet ten goede komt, maar slechts het korte termijn belang van de Staat dient. Voorts worden kredieten aan de overheid verstrekt en beslissingen genomen, die hun herkomst of legitimiteit niet kunnen vinden in bank technische onderbouwing.
  2. Een dieptepunt voor het imago van de Hakrinbank werd bereikt, toen twee commissarissen in oktober de beslissing namen te procederen tegen de directeur van de Hakrinbank, met de voorzienbare imagoschade voor de aldus in opspraak geraakte bank. Het waren uitgerekend de reeds met veel controverse door overheids voordracht benoemde commissarissen die daartoe overgingen en dit deden met ondersteuning in de media van de perschef van het kabinet van de President van de Republiek Suriname.
  3. De onafhankelijkheid van de Hakrinbank wordt voorts, ten nadele van haar imago en bijgevolg haar winstpositie, met voeten getreden, wanneer zij bijdraagt c.q. actief meewerkt aan de machtsconcentratie van de Staat, binnen de bancaire sector als geheel, zoals zich de laatste tijd aan het voltrekken is. Zo heeft de Hakrinbank in dit verband in 2018, kennelijk op instigatie van de Staat dan wel in kennelijk overleg met de Staat, een gekwalificeerde deelneming ter grootte van ruim 18% verworven in een andere kredietinstelling, met name de Surinaamse Bank N.V., en tegelijk nog eens twee gekwalificeerde deelnemingen van dezelfde grootte gefinancierd in dezelfde kredietinstelling, waarvan saillant genoeg, één voor een verzekeringsbedrijf waarin de Staat zelf meerderheidsaandeelhouder is (Self Reliance N.V.). De gekwalificeerde deelneming van de Staat in de Hakrinbank en van de Hakrinbank en voornoemd(e) verzekeringsbedrijf/kredietnemer in de voornoemde kredietinstelling (De Surinaamse Bank N.V.), hebben voorts nu reeds geleid tot (indirecte) bemoeienis van de Staat in de samenstelling van de directie van de betreffende kredietinstelling (De Surinaamse Bank N.V.). De Hakrinbank heeft voorts, naar oordeel van het Hof van Justitie haar zorgplicht jegens betreffende client, althanskredietnemer misbruikt en misbruik van haar executierecht gemaakt, om het politiek belang van beleidsmakers gerelateerd aan de Staat te doen prevaleren boven het belang van de Hakrinbank.[27] Verzoeksters als aandeelhouders van de Hakrinbank kunnen daarom niet stilzitten en toezien hoe de integriteit en de moeizaam opgebouwde reputatie van Hakrinbank als solide en betrouwbare bank te grabbel wordt gegooid en Hakrinbank aan het verworden is tot een vehikel van politieke belangen, niet in de laatste plaats door gedrag van de Staat als onwettige houder van een gekwalificeerde deelneming in deze kredietinstelling.
  4. Het risico voor het bankbedrijf en het nadeel voor de aandeelhouders als gevolg van het overtreden van de wet door Gerekestreerden, althans onvoldoende handhaven door een deel van hen, is aldus evident, zodat het gevorderde voor toewijzing gereed ligt.
Toestemming ongeldig
  1. De door CBVS per correspondentie, respectievelijk d.d. 2016 en 2018 eerder overgelegde toestemming, ontbreekt rechtskracht. Zoals met citaten geïllustreerd, bepaalt artikel 20 lid 1 WTK, dat toestemming voorafgaand verleend dient te worden. Artikel 20 lid 3 WTK bepaalt, dat toestemming binnen drie maanden na inwerkingtreding van de wet aangevraagd diende te worden door de houders van gekwalificeerde deelnemingen, in casu de Staat en Staatsolie.
Toestemming werd tardief, ruim buiten de ex artikel 20 lid 3 WTK bepaalde termijn namelijk pas in 2016 verzocht. Toestemming werd zelfs ruim buiten de termijn welke de wet ex artikel 3 WTK voorschrijft voor afbouw van de gekwalificeerde deelneming, verzocht. Indiening van de aanvraag door de Staat en Staatsolie voldoet derhalve niet aan hetgeen wettelijk voorgeschreven is. De aanvragen mochten derhalve nimmer tot toestemming leiden. Voorts is de uitzonderingsbepaling ex artikel 20 WTK jo. De memorie van toelichting bij dat artikel, niet van toepassing op het belang boven 20%, hetgeen CBVS als toezichthouder de twee aandeelhouders in kwestie voorts meegedeeld heeft. Nu de bijzondere omstandigheid ontbreekt, handelde de CBVS nader in strijd door toestemming toe te kennen aan de aandeelhouders voornoemd. CBVS heeft geen toestemming en kon geen toestemming verlenen tot uitoefenen van zeggenschap op de aandelen, een belang van 5% te boven gaand, terwijl de toestemming voor tijdelijk behoud van de gekwalificeerde deelnemingen als strijd met de wet en nietig beschouwd dient te worden.
  1. Verzoekers zullen in bodemprocedure verzoeken om de nietigheid van de voornoemde toestemming in te roepen, doch verzoeken eerbiedig U Edelachtbare zulks nu reeds op te schorten nu zij nadeel ondervinden van de gedragingen welke de toestemming ten gevolge heeft.
  2. Verzoekers menen dat de gevorderde dwangsom, zijnde het gerealiseerd resultaat van de Hakrinbank over het boekjaar 2018 voor belastingen, een passende dwangsom vertegenwoordigd.
Houding toezichthouder, vennootschap, directie en raad van commissarissen
  1. De CBVS als toezichthouder, heeft zich onvoldoende ingespannen om gedragingen zijdens de houders van de gekwalificeerde deelnemingen, in casu de Staat en Staatsolie, te voorkomen. Voorts heeft zij niet effectief haar aanwijzingen tot afbouw gehandhaafd en ongeoorloofd zeggenschap toegelaten.
  2. Gedaagden die lid zijn van de directie, dan wel de Raad van Commissarissen hebben zowel pro se als qualitate qua, zich onvoldoende ingespannen om gedragingen zijdens de houders van de gekwalificeerde deelnemingen, in casu de Staat en Staatsolie, te voorkomen, door van de natuurlijke personen gedragingen, waaronder rechtshandelingen, feitelijke handelingen en nalaten, zoals stemgedrag vereist waren, die het wettelijk verbod op uitoefening van enige zeggenschap, verbonden aan de gekwalificeerde deelneming van voornoemden, hadden kunnen effectueren. Van hen worden ex artikel 103, 106, jo. 217 Wetboek van Koophandel, rechtens gedragingen verwacht, die in de praktijk tot realisatie van het wettelijk verbod ex artikel 20 WTK, moeten leiden. Aandeelhouders hebben redelijk belang bij de veroordeling daartoe, zodat de vorderingen als hierbij verzocht, voor toewijzing gereed liggen.
Spoedeisend belang
  1. Het Jaarverslag van 2018 kondigt als volgt aan:
‘De Raad van Commissarissen heeft in de eerste helft van 2019 goedkeuring gegeven aan het voorstel van de directie voor het uitgeven van aandelen en een langlopende achtergestelde lening. De emissie zal in de tweede helft van 2019 plaatsvinden en behelst het uitgeven van 250.000 aandelen van nominaal SRD 0,15 en het plaatsen van een lening in US dollars van de tegenwaarde van SRD 100 miljoen.’[28]
  1. De emissie betreft een verwatering voor bestaande aandeelhouders, hetgeen met zoveel woorden erkend is ter algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 31 juli 2019 en in het Jaarverslag 2018. Het aantal uitstaande aandelen zal stijgen van 522.998 met 250.000 aandelen. Er bestaat een reëel risico van een waardedaling van grofweg 30%, terwijl vanwege het openbare karakter, geen garantie is op dezelfde zeggenschap, zonder (onzekere) kapitaal investering door de bestaande aandeelhouders. Bij de recente aandelenemissie door de Surinaamsche Bank N.V. is voorts gebleken, dat toename van gekwalificeerde deelnemingen tevens een relevant en onwenselijk risico is. Nu aangekondigd is, dat deze voor de vennootschap en aandeelhouders ingrijpende gebeurtenis, voor de tweede helft van 2019 gepland is, hebben de aandeelhouders een onmiskenbaar spoedeisend belang bij hun vorderingen.
  2. Maatschappelijk zijn er hardnekkige geruchten en herhaaldelijke nieuwsberichten over een fusie tussen Hakrinbank en de Surinaamsche Bank N.V., een verlieslatende kredietinstelling waar de Staat tevens een gekwalificeerde deelneming in houdt en aanmerkelijke zeggenschap over heeft. Ter algemene vergadering van aandeelhouders is door de Directie en Raad van Commissarissen niet geloofwaardig ontkend dat een fusie op korte termijn verwachtbaar is, doch juist gewezen op de voordelen en argumenten aangevoerd voor de wenselijkheid, waaronder synergie en schaalvergroting, door Directie. Artikel 35 en 36 Statuten Hakrinbank schrijven een gekwalificeerde meerderheid voor, voor statutenwijziging, wat naar analogie minder vergaand geacht dient te worden dan een fusie. Echter hebben de Directie en Raad van Commissarissen zich ter algemene vergadering van aandeelhouders niet willen committeren aan het uitschrijven van een Bijzondere Algemene Vergadering van Aandeelhouders indien een besluit over fusie genomen dient te worden in de nabije toekomst. Hetgeen voor emissie geldt, geldt mutatis mutandis voorts voor fusie, zeker met een verlieslatende kredietinstelling, met zeer recent, statutair onverklaarbare wijzigingen in directie, welke consistent zijn met de zorgen bij aandeelhouders over een dergelijke fusie.
(productie 13: media berichten fusie)
  1. Spoedeisendheid dient naar analogie met artikel 132 Wetboek van Koophandel voorts aangenomen te worden, nu het een aandelen- en zeggenschapsvraagstuk betreft, welke een naar kwalificatie nader gereguleerde onderneming, althans vennootschap betreft, zijnde een kredietinstelling.
Petitum Redenen waarom verzoekers zich tot U Edelachtbare Kantonrechter wenden met het eerbiedig verzoek in kort geding, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en alle dagen en uren:
  1. alle besluiten houdende tijdelijke toestemming voor behoud van de gekwalificeerde deelneming, dan wel toestemming tot het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan de gekwalificeerde deelneming in het aandelenkapitaal van de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V. krachtens de Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011, verleend door Gerekestreerde sub C. aan Gerekestreerden sub A. en sub B., althans de werking daarvan, op te schorten, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan.
  2. Gerekestreerde sub C. verbieden om aan Gerekestreerden sub A. en sub B. toestemming te verlenen voor behoud van de gekwalificeerde deelneming, dan wel toestemming tot het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan de gekwalificeerde deelneming in het aandelenkapitaal van de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V. totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist over de rechtsgeldigheid daarvan.
  3. Gerekestreerden sub A. en sub C. ertoe te veroordelen om volledige medewerking te verlenen, althans al hetgeen bevorderlijk mocht zijn te ondernemen, waaronder het verstrekken van eventueel noodzakelijke documenten, het doen van bekendmakingen, ondertekenen van akten, benoemen van deskundigen, evenals overige feitelijke handelingen en rechtshandelingen, om te bewerkstelligen dat uiterlijk binnen negentig dagen na betekening van dit te wijzen vonnis de aandelen die zij houden in het aandelenkapitaal de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V., ter verkoop aangeboden zullen zijn, dan wel per verkoop overgedragen zullen zijn, totdat geen gekwalificeerde deelneming in de zin van Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011 resteert.
  4. Gerekestreerde sub C. ertoe te veroordelen er als toezichthouder op toe te zien, dat Gerekestreerden sub A. en sub B. uitvoering geven aan het onder nummer III. hiervoor gevorderde, met alle handhavingsmiddelen rechtens,
  5. het stemrecht van Gerekestreerden sub A. en sub B. en iedere bevoegdheid tot het uitoefenen van enige zeggenschap verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in het aandelenkapitaal van de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V.,  daaronder mede begrepen het nomineren van directieleden en/of commissarissen ter benoeming, op te schorten, totdat in een bodemgeschil over de rechtsgeldigheid van hun zeggenschap definitief is beslist.
  6. alle besluiten genomen of ondersteund ter gelegenheid van de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 30 juli 2019 van de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V., waarbij Gerekestreerden sub A. en sub B. apart, dan wel in samenhang, zeggenschap uitgeoefend hebben, verbonden aan hun gekwalificeerde deelneming, middels agendering, voordracht, dan wel het uitoefenen van enig stemrecht, te schorsen, dan wel op te schorten, totdat hierover door de rechter in een in te stellen bodemprocedure definitief zal zijn beslist.
  7. Gerekestreerde sub D. ertoe te veroordelen geen stemrecht van Gerekestreerden sub A. en sub B. of enige bevoegdheid tot het uitoefenen van enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in het aandelenkapitaal van de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V.  daaronder mede begrepen het nomineren van directieleden en/of commissarissen ter benoeming, te erkennen of aanvaarden, totdat in een bodemgeschil over de rechtsgeldigheid van hun zeggenschap definitief is beslist.
  8. Gerekestreerden sub E. tot en met L. te gebieden om, totdat bij gewijsde in bodemprocedure zal zijn beslist, zich met onmiddellijke ingang te onthouden van (medewerking aan) gedragingen waarvan het gevolg is of kan zijn, dat Gerekestreerde sub A. en/of Gerekestreerde sub B., onafhankelijk dan wel in samenhang, enige zeggenschap, verbonden aan een gekwalificeerde deelneming in het aandelenkapitaal van de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V. in de zin van Wet Toezicht Bank- en Kredietwezen 2011 uitoefenen,  daaronder mede begrepen het nomineren van directieleden en/of commissarissen ter benoeming.
  9. Gerekestreerden sub A. tot en met L. te veroordelen iedere handeling gericht op een aandelenemissie door de Handels-, Krediet- en Industriebank N.V. of de fusie met een andere kredietinstelling, achterwege te laten, totdat in een bodemgeschil over de rechtsgeldigheid van de zeggenschap van Gerekestreerden sub A. en B. definitief is beslist.
  10. Gerekestreerden sub A. tot en met L. te veroordelen het aldus gevorderde tegen zich en tegen overige Gerekestreerden, te gehengen en gedogen.
  11. Als dwangsom te bepalen, het tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Verzoekers te betalen bedrag van SRD 47.796.600,– (zegge: zevenenveertig miljoen zevenhonderd zesennegentig duizend zeshonderd Surinaamse Dollars), althans een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of iedere keer dat een of meer Gerekestreerden in strijd met de hiervoor verzochte veroordeling handelen.
  12. Kosten rechtens,
Hetwelk doende, enz. Paramaribo, 22 augustus 2019 Mr. Antoon Karg Advocaat

Bijlage:

[1] Ex artikel 2 Bankwet, S.B. 1956, no. 97

[2] S.B. 2011 No. 155, voorts naar te refereren als ‘WTK’

[3] G.B. 1956 No. 97

[4] Jaarverslag 2018 Hakrinbank, p.9

[te raadplegen via: https://hakrinbank.com/website/jaarverslag.asp?menuid=191]

[5] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2014, d.d. 14 mei 2015 p. 5/11

[6] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 9/16 en 16/16

[7] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 16/16

[8] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2016 d.d. 19 juni 2017, p. 13/14

[9] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2016 d.d. 19 juni 2017, p. 12/14

[10] Jaarverslag 2018, p. 25

[11] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 4/16

[12] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2016 d.d. 19 juni 2017, p. 10/14

[13] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 11/16

[14] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 11/16

[15] Jaarverslag 2018, p. 11

[16] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2017 d.d. 10 juli 2018, p. 3/12

[17] Jaarrekening 2018, p. 19

[18]  Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 7/16

[19] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 8/16

[20] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 9/16

[21] G.B. 1936 no. 115, laatstelijk S.B. 2016, no. 103

[22] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 13/16

[23] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2015 d.d. 26 juli 2016, p. 14/16

[24] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2016 d.d. 19 juli 2017, p. 13/14

[25] Notulen algemene vergadering van aandeelhouders boekjaar 2017 d.d. 10 juli 2018, p. 6/12

[26] Notulen bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 7 maart 2018, p. 2/5

[27] Hof van Justitie, 7 augustus 2019, G.R. No. 15670 https://rechtspraak.sr/sru-hvj-2019-2/, rechtsoverweging 5.7

[28] Jaarverslag 2018, p. 24