Te gast bij de Aluku (2)

De wijd open poort

Hoofdstraat naar de rivier in Papaïchton

Voor wie eenmaal aan de goudkust is beland en het daar wel heeft gezien, is een uitstapje naar de overkant een absolute must. En niet alleen om een prentbriefkaart met echte postzegel te versturen naar je liefste in de diaspora of een echt stokbrood te kopen.

Na mijn terugkeer op het vliegveld van Benzdorp, word ik direct voorgesteld aan een rasta, die passagiers ronselt voor de pakjesboot naar Maripasoula. Vijftien euro enkele reis. Het vertrek laat even op zich wachten, want het vliegtuig van de dag uit Paramaribo is nog onderweg. Maar uiteindelijk blijkt het nauwelijks een half uurtje varen, stroomopwaarts.

Ik ben al enigszins voorbereid door de keurige auto’s die ik aan de Franse kant zag rijden, maar de schok was er niet minder om. Een boulevard met zitjes en plantenbakken, een komen en gaan van pirogues in de haven, taxi’s en bestelwagens op de oever en een hoge paal met elektronisch mededelingenbord, waar ze op Zanderij nog iets van kunnen leren. Nergens iets van douane, politie of militairen. Elders in de wereld worden muren gebouwd en wringen mensen zich in allerlei bochten om een ander land binnen te komen, maar hier staat de poort naar Europa wagenwijd open.

En zodra ik aan wal gekomen ben en me omdraai, komt er nog een verrassing bij. Aan de overkant, dus pal tegenover het centrum van Maripasoula, tekent zich een ander – schilderachtig – havenfront af. Een rij van minstens twintig grote, zo te zien houten, huizen in uiteenlopende kleuren naast elkaar, op palen. De afstand van hier naar daar is veel korter dan die van Saint-Laurent naar Albina aan het uiteinde van de Marowijne… Dit heb ik in Su nog nergens op een landkaart gezien, laat staan dat iemand me het ooit heeft uitgelegd.

Het blijkt ook een naam te hebben: Albina2. Een beleidsmedewerker in de Mairie, het gemeentehuis, wijst me het aan op de muur.  Het bestaat pas sinds 2006 en er wonen, zegt hij, alleen Brazilianen en Chinezen. Voor allerlei zaken zijn ze aangewezen op de voorzieningen in Maripasoula.

“Kinderen hebben in onze ogen recht op basisonderwijs en dat geldt ook voor onze overburen”, verklaart mijn zegsman.

Een soortgelijke redenering wordt toegepast inzake de gezondheidszorg: ze hebben toegang tot basiszorg in het Centre de Santé, maar bij de vraag naar specialistische zorg wordt het kaartje gevraagd van een Franse ziektekostenverzekering.

Omgekeerd doet de gemeente ook niet moeilijk, als mensen die bij haar staan ingeschreven aan de overkant, achter Albina2,  een kostgrondje eropna houden. Met andere woorden: men heeft alle begrip voor de aloude banden van de Aluku over de rivier als scheidslijn heen.

De enige tegenprestatie van Surinaamse kant schijnt te zijn dat twee politieagenten af en toe in Albina hun neus laten zien, zonder dat ze de middelen hebben om effectief op te treden.

Maripasoula met haar 13.000 inwoners is trouwens in alle opzichten een volwaardige stad, met alle basisvoorzieningen die een mens en ook een toerist zich kan wensen. Gemeentepolitie en legeronderdelen, klassehotels, middelbare scholen en bibliotheken, drinkwater, elektriciteit, sportclubs, gevarieerde winkels en buiten de stad, een vliegveld voor alle binnenlandse vluchten.

Ook aan deze zijde van de Lawa wordt sinds jaar en dag goud gewonnen. Een groot verschil met de situatie aan de goudkust waar ik net geweest ben, is het officiële beleid ten aanzien van de garimpeiros.

Hebben die daar, net als de kleinschalige mijnbouw in het algemeen, weinig te duchten van de centrale overheid, hier worden van tijd tot tijd grootscheepse acties met leger en politie ondernomen om hun kampen te vernietigen en hen terug te dringen. Zonder veel succes overigens. De eerdergenoemde ambtenaar van de gemeente beschouwt het persoonlijk als een niet te winnen strijd: “Ze kunnen gewoon harder lopen dan wij.” Bovendien is volgens hem niet te verwachten dat zijn regering in dit opzicht daadwerkelijk steun krijgt van die van Brazilië.

Ter vergelijking reis ik over land nog naar een andere gemeente aan de rivier, drie kwartier rijden in noordelijke richting door dicht bebost gebied. Papaïchton, met 6000 inwoners aanmerkelijk kleiner, maar juist daardoor wellicht aantrekkelijker voor de liefhebber van natuur en rust, zonder dat je daar persoonlijk comfort voor hoeft in te leveren. Te meer omdat er een bospad is uitgestippeld met veel hoogteverschil, dat je met een beetje ervaring en conditie in je eentje kunt afleggen: le sentier de la source.

Ik word afgezet bij het enige echte hotel, met op de bovenverdieping een achttal nogal kleine maar wel smetteloze kamers rond een verzameling dure meubels, waar schijnbaar niemand ooit gebruik van maakt. Maar omdat ik de enige gast ben en zich ook nog aan twee zijden een doorlopend balkon bevindt, heb ik een zee van ruimte.

Eigenaar-directeur is een kleine magere man. Op de rug van zijn borstrok staat ‘secours catholique’. Naar mijn idee bevinden alle bezienswaardigheden zich op loopafstand, maar wanneer ik informeer naar het atelier van de internationaal bekende kunstenaar Carlos Adaude, wil hij me per se met zijn auto daar afzetten en knoopt hij er een oriënterende rondrit aan vast. Langs zijn privéwoning en overig huizenbezit, het gemeentehuis, de middelbare school waar een nieuwe vleugel aangebouwd wordt, de drinkwatervoorziening en – als pronkstuk – de hypermoderne centrale, die ook de omgeving permanent  van stroom voorziet.

Bij de haven van Maripasoula.

Bij de haven krijg ik later van een medewerker van het omringende Parc amazonien de Guyane te horen dat de mogelijkheid bestaat hiervandaan voor 50 euro met een pirogue voor vrachtvervoer mee te varen naar Saint-Laurent of Albina. Hij heeft zelfs de naam van een bootsman en diens telefoonnummer bij zich. Maar de overweging dat alle regen die hier valt, me ook in die boot zou kunnen overkomen, weerhoudt me. Iets voor een volgende keer, misschien.