De Surinaamse goudsector vormt een direct gevaar voor de rechtsstaat. Dat de president in openbare toespraken expliciet laat doorschemeren er rekening mee te houden, dat goudkartels en illegalen tot alles bereid zijn, waarbij zelfs de eigen fysieke veiligheid niet meer vanzelfsprekend is, legt een schrikbarende werkelijkheid bloot. Wanneer het staatshoofd moet vrezen voor dreigingen uit de schaduwwereld van het edelmetaal, is de grens van een functionerende democratie bereikt. De verwevenheid van belangen en partijpolitiek werd nog duidelijker toen Ronnie Brunswijk, openlijk namen zoals Naarendorp en de rechtspersoon ‘Yokohama’ noemde. Het noemen van concrete spelers en bedrijven onderstreept, hoe diep de vertakkingen in de sector reiken. En hoe het imago van Brunswijk als zwijgzame held, verdampt op het moment dat voor hem een verlies aan inkomsten dreigt. Toch blijft de fundamentele vraag waarom men kiest voor de oprichting van een nieuwe goudautoriteit of Gold Board.
Het getuigt van bestuurlijke naïviteit om te veronderstellen dat een nieuw orgaan plotseling beter corruptiebestendig zal zijn of minder gevoelig voor zware dreigingen en intimidatie. Het nauwgezet en strikt naleven van reeds bestaande wetten met de reeds bestaande instituten en handhavingsorganen, zou immers meer dan voldoende moeten zijn. Als de huidige autoriteiten hun werk niet kunnen doen vanwege druk of corruptie, waarom zou een nieuw instituut daar dan wél tegen bestand zijn? Deze essentiële vraag moet dan ook diepgaand en kritisch in het parlement worden gedelibereerd, voordat er weer een bureaucratische bestuurslaag wordt gecreëerd. Tegelijkertijd roept de houding van de politieke leiding vragen op. Wanneer Jennifer Simons als partijvoorzitster plotseling door moed lijkt te worden overstelpt om de misstanden aan te kaarten, rijst de vraag waarom zij niet meteen en onmiddellijk doorpakt. Het royement van schuldige partijleden en het principieel weigeren van donaties van overtreders van de goudwetten, zou de allereerste, logische stap moeten zijn. Zolang foute geldstromen en foute figuren binnen de politiek worden gedoogd, blijft elke roep om hervorming een holle frase in een levensgevaarlijke sector.


