Jurist Stanley Esajas heeft in een programma van Lim FM getoond, dat bepalingen uit de Surinaamse geschiedenis laten zien hoe belangrijk constitutionele controle kan zijn. Als voorbeeld noemt hij de Grondwet van 1975, waarin een bijzondere procedure was opgenomen voor de behandeling van wetsvoorstellen. Volgens Esajas kon een wetsvoorstel, nadat het door het parlement was goedgekeurd, niet direct worden afgekondigd. De minister-president moest het eerst aanbieden aan de procureur-generaal (PG). Die kreeg vervolgens twee weken de tijd om eventueel bezwaar aan te tekenen bij het Constitutioneel Hof. “Pas als de PG geen bezwaar aantekende, mocht de wet worden afgekondigd”, legt Esajas uit. De Grondwet bepaalde bovendien, dat een wet pas op de eerste dag van de volgende maand na de afkondiging, in werking zou treden. Volgens Esajas heeft deze regeling nooit gewerkt, omdat het Constitutioneel Hof nooit is ingesteld. Hij stelt dat ook de levenslange benoeming van de procureur-generaal hiermee verband houdt. “Als je de geschiedenis leest en de toelichting van het ontwerp van 1975 bekijkt, is dat de enige reden waarom de PG tot de dag van vandaag, voor het leven wordt benoemd”, aldus Esajas.
Esajas is daarnaast kritisch over de manier waarop bepaalde wettelijke bepalingen binnen de rechterlijke macht tot stand zijn gekomen. Hij verwijst onder meer naar de wet op de beloning van de rechterlijke macht, waarin volgens hem staat dat bepaalde vergoedingen onbelast zijn. Hij spreekt daarbij van fiscale discriminatie en stelt dat er sprake is van tegenstrijdigheden met andere wetgeving. Zo wees hij op een uitspraak van de minister van Financiën in De Nationale Assemblee, waarin werd gesteld dat deze vergoedingen wel belast zijn op basis van de Wet op de Loonbelasting. Volgens Esajas heeft een specifieke wet echter voorrang op de algemene belastingwetgeving. “Er zijn allemaal onconstitutionele ingrepen”, stelt hij. Hij vraagt zich bovendien af, waarom de rechterlijke macht en de procureur-generaal zich niet krachtiger hebben verzet tegen dergelijke bepalingen. “Wat heeft de rechterlijke macht gedaan toen deze onconstitutionele bepaling in hun wet werd geschreven? Wat heeft de PG daarmee gedaan?”, aldus Esajas.


