Het Nieuwe Burgerlijk Wetboek (NBW) stelt duidelijke grenzen aan de voornamen die ouders hun kinderen mogen geven. Dat zei directeur Anastatia Kanapé-Pokie van het Directoraat Burgerzaken in het programma LALA op SUN WEB TV, waarin werd teruggeblikt op een jaar werken met het NBW. Volgens directeur Kanapé-Pokie van het Directoraat Burgerzaken (DBZ) voorkomt de wet dat kinderen worden opgezadeld met kwetsende of ongepaste namen. Volgens Kanapé-Pokie zijn voornamen regelmatig onderwerp van discussie, vooral wanneer overheidsinstanties lijsten publiceren van personen die officiële documenten, zoals een identiteitskaart of rijbewijs, moeten afhalen. “Mensen reageren dan vaak op opvallende voornamen die zij op die lijsten zien staan”, merkt zij op. Het NBW legt de verantwoordelijkheid voor het beoordelen van een voornaam bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Die moet bij de aangifte van een geboorte, toetsen of een voorgestelde naam in overeenstemming is met de wet.
“Geen enkele ouder mag een kind een ongepaste voornaam geven.
De ambtenaar van de burgerlijke stand ziet daarop toe, omdat die de geboorte registreert en uitvoering geeft aan de wet”, aldus Kanapé-Pokie. Sinds de invoering van het NWB hebben zich volgens haar geen gevallen voorgedaan waarbij ouders een ongepaste voornaam wilden laten registreren. Wel haalde de CBB-directeur een voorbeeld uit haar loopbaan aan. Tijdens een registratieproject wilde een moeder haar kind de naam ‘Gunman’ geven. Na overleg wist de ambtenaar haar ervan te overtuigen, een andere naam te kiezen. Het NBW geeft de ambtenaar bovendien een expliciete bevoegdheid wanneer ouders toch vasthouden aan een ongepaste naam. In dat geval kan de ambtenaar ambtshalve zelf een passende voornaam toekennen. Volgens Kanapé-Pokie bestond ook onder de oude wetgeving al het uitgangspunt dat ongepaste voornamen moesten worden voorkomen. Het Nieuw Burgerlijk Wetboek heeft die bevoegdheid duidelijker vastgelegd en biedt daarmee meer rechtszekerheid.


