Baitali: ‘Wij houden herstel Van ’t Hogerhuysstraat niet tegen’

Aannemingsmaatschappij Baitali N.V. (AMB) stelt dat de stilstand van het infrastructurele project Van ’t Hogerhuysstraat–Slangenhoutstraat niet aan het bedrijf te wijten is, maar het gevolg is van de wijze waarop de Staat is omgegaan met een rechterlijk vonnis uit juli vorig jaar. In een uitgebreide verklaring reageert het bedrijf op vragen en uitspraken die recent in de samenleving en in De Nationale Assemblée zijn gedaan over het project.

Volgens AMB heeft de kortgedingrechter op 10 juli 2025 geoordeeld dat de gronden waarop het bedrijf was gediskwalificeerd voor de aanbesteding onrechtmatig waren. De rechter droeg de Staat onder meer op de gunning aan een andere partij in te trekken, de uitvoering van de overeenkomst te staken en de inschrijving van AMB opnieuw te beoordelen.
Het bedrijf benadrukt dat het uitsluitend gebruik heeft gemaakt van zijn wettelijke recht om bezwaar aan te tekenen en vervolgens naar de rechter te stappen. “De rechter heeft AMB in het gelijk gesteld. De vertraging die daarna is ontstaan, ligt niet bij AMB, maar bij het tempo waarmee de Staat met het vonnis is omgegaan”, stelt de aannemingsmaatschappij.
AMB wijst erop dat de herbeoordeling van haar inschrijving pas bijna zes maanden na het vonnis werd uitgevoerd. De uitkomst daarvan werd op 5 januari 2026 aan het bedrijf meegedeeld. Twee dagen later maakte AMB bezwaar tegen die herbeoordeling. Volgens het bedrijf bleef een inhoudelijke reactie vervolgens bijna vier maanden uit, totdat op 29 april overleg werd voorgesteld.
De aannemer stelt dat vrijwel de gehele periode sinds het vonnis is verstreken terwijl werd gewacht op acties van de overheid. “Was de beoordeling vanaf het begin correct geweest of was het vonnis voortvarend uitgevoerd, dan zaten we vandaag in een andere situatie”, aldus AMB.
Het bedrijf verwerpt tevens de suggestie dat het de samenleving zou “gijzelen” door de werkzaamheden stil te leggen. Volgens AMB verbiedt het vonnis de overheid niet om onderhouds- of veiligheidswerkzaamheden aan de Van ’t Hogerhuysstraat uit te voeren. “AMB heeft het ministerie van Openbare Werken nooit belet om reparaties of veiligheidsmaatregelen uit te voeren”, luidt het standpunt.
Daarnaast stelt de onderneming dat er geen conflict bestaat met Kuldipsingh, de partij die oorspronkelijk de opdracht kreeg toegewezen. Volgens AMB gaat de kwestie niet over een geschil tussen twee aannemers, maar over de vraag of een aanbesteding correct is beoordeeld en of een rechterlijk vonnis wordt nageleefd.
Kritisch is het bedrijf ook over de rol van de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank (IDB), financier van het project. Volgens AMB ontving de Staat kort na het vonnis een brief waarin werd gewezen op mogelijke gevolgen voor de financiering wanneer uitvoering zou worden gegeven aan de rechterlijke uitspraak. Het bedrijf stelt dat tijdens een bezoek aan Suriname in augustus 2025 de president van de IDB publiekelijk verklaarde dat de instelling de Surinaamse wetgeving en rechterlijke uitspraken respecteert. Desondanks zou het eerdere standpunt volgens AMB nooit zijn herzien.
De aannemingsmaatschappij waarschuwt dat de kwestie verder reikt dan het project alleen. Volgens directeur Farsi Khudabux dreigt een gevaarlijk precedent te ontstaan voor het Surinaamse bedrijfsleven als rechterlijke uitspraken niet volledig worden uitgevoerd. In dat geval zou het vertrouwen van bedrijven in bezwaarprocedures en de rechterlijke macht kunnen worden ondermijnd.
AMB zegt uiteindelijk slechts een eerlijke beoordeling van haar inschrijving te willen, gebaseerd op het vonnis van de rechter. Tegelijkertijd benadrukt het bedrijf open te staan voor oplossingen die zowel recht doen aan de uitspraak als bijdragen aan een snelle aanpak van de weg.
Volgens de aannemer verlopen de gesprekken met het ministerie van Openbare Werken momenteel constructief. De verklaring is volgens het bedrijf bedoeld om feitelijke informatie te verstrekken aan het publiek en niet om de lopende besprekingen te verstoren.

More
articles