Asiskumar Gajadien, fractieleider van de VHP, heeft gisteren tijdens de behandeling van de ontwerpwet houdende regels voor duurzaam natuurbeheer (Wet Duurzaam Natuurbeheer) in De Nationale Assemblee (DNA) gezegd, dat duurzaam natuurbeheer geen vrijblijvende beleidskeuze en geen ideologisch experiment is. Volgens Gajadien raakt dit onderwerp de kern van de grondwet, de economische ontwikkelings-ruimte van Suriname en de internationale positie van het land als staat met uitzonderlijke natuurlijke hulpbronnen. “Daarom vereist wetgeving op dit terrein zorgvuldigheid, juridische samenhang en bestuurlijke uitvoerbaarheid”, aldus Gajadien.
Tijdens de behandeling zijn vanwege de commissie en door verschillende sprekers meerdere interrupties gepleegd en is veel waardevol materiaal gepresenteerd, met goede intenties, om het beleid bij te stellen. Desondanks stelde Gajadien, dat deze bijdragen onvoldoende antwoord geven op de kernvragen: of de wet grondwettelijk houdbaar is, institutioneel passend en maatschappelijk rechtvaardig.
Gajadien zei zijn bijdrage te structureren langs vier samenhangende lijnen. De eerste betreft het constitutionele uitgangspunt van duurzaam natuurbeheer. De tweede gaat over de plaats van de wet binnen de bestaande bestuurlijke structuur. De derde heeft betrekking op de noodzaak van enkele amendementen, waar hij niet verder op inging omdat de initiatiefnemers al hadden aangekondigd, aanpassingen door te voeren. De vierde lijn ziet op de integratie en overname van oude, verouderde wetgeving.
Gajadien benadrukte dat de grondwet erkent, dat natuurlijke hulpbronnen toebehoren aan de natie, maar dit beginsel staat niet op zichzelf.
Het is onlosmakelijk verbonden met het algemeen belang, de ontwikkeling van het volk en de bescherming van de rechten van burgers en gemeenschappen. Duurzaam natuurbeheer betekent volgens hem dan ook geen absoluut beschermings-regime, maar een zorgvuldige en evenwichtige afweging tussen bescherming, gebruik en ontwikkeling.
Om die reden pleitte Gajadien ervoor om expliciet in de wet, met name in artikel 2, vast te leggen, dat duurzaam natuurbeheer wordt uitgevoerd met inachtneming van de Grondwet, de bestaande sectorale wetgeving en het beginsel van evenwichtige sociaaleconomische ontwikkeling. Dit zou de wet versterken en voorkomen dat duurzaamheid wordt verheven tot een norm die boven de grondwet zou staan.
Daarnaast onderstreepte Gajadien het belang van een duidelijke positionering van de Wet Duurzaam Natuurbeheer binnen het bestaande wettelijke kader. Daarbij verwees hij naar de Milieuraamwet, die het algemene en sectoroverstijgende kader vormt voor het milieubeleid van de staat. Deze wet bevat de fundamentele beginselen, procedures en instrumenten die gelden voor alle sectoren waarin milieubelangen een rol spelen.
De Wet Duurzaam Natuurbeheer is volgens hem niet bedoeld als een tweede of concurrerende wet, maar als een sectorale kaderwet die binnen het kader van de Milieuraamwet een nadere uitwerking geeft aan beheer, behoud en duurzaam gebruik van natuur en biodiversiteit. Om die relatie te verduidelijken, stelde Gajadien voor om in artikel 2, ook duidelijk vast te leggen dat de Wet Duurzaam Natuurbeheer een sectorale uitwerking vormt van het milieubeleid en wordt toegepast binnen het kader van de Milieuraamwet.
Bij eventuele tegenstrijdigheden zouden de algemene beginselen en normen van de Milieuraamwet moeten prevaleren. Verder wees Gajadien op het Staatsbesluit Taakomschrijving Departementen van Algemeen Bestuur, waarin de taken op het gebied van natuurbeheer, bosbeheer, milieubescherming, ruimtelijke ordening en natuurlijke hulpbronnen expliciet zijn verdeeld over bestaande ministeries, elk onder eigen ministeriële verantwoordelijkheid. De Wet Duurzaam Natuurbeheer kan en mag deze taakverdeling volgens hem, niet ne-geren. De wet moet daarom worden begrepen als een sectorale kaderwet die beginselen, doelen en instrumenten vaststelt, zonder een nieuw uitvoerend bestuursorgaan te creëren. Uitvoering, vergunningverlening en handhaving dienen bij de bestaande ministeries te blijven, zoals vastgelegd in het Staatsbesluit. “Wetgeving moet coördineren en versterken, niet centraliseren of verzwakken”, aldus Gajadien.
Tot slot waarschuwde hij, dat zonder duidelijke afbakening, het risico ontstaat op overlappende bevoegdheden, tegenstrijdige besluiten en onduidelijke politieke verantwoordelijkheid. Het is volgens hem essentieel dat bestaande vergunningen en gebruiksrechten rechtsgeldig blijven en dat nieuwe natuurbeperkingen niet automatisch bestaande rechten opschorten. Ook moet coördinatie plaatsvinden binnen het bestaande ministeriële bestel.
Volgens Gajadien is dit alles direct gekoppeld aan het beginsel van ministeriële verantwoordelijkheid en noodzakelijk om bestuurlijke fragmentatie te voorkomen. “Geen enkele duurzame wet kan functioneren zonder rechtszekerheid”, stelde hij. Wanneer natuurgebieden worden aangewezen of gebruiksbeperkingen worden opgelegd, moeten burgers, gemeenschappen en ondernemers weten binnen welke termijnen herziening plaatsvindt en dat er geen sprake is van terugwerkende kracht.


