Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in scherpe bewoordingen gereageerd op drie initiatiefvoorstellen tot wijziging van de grondwet en aanverwante wetten, waarin onder meer de instelling van een cassatierechtspraak en een herstructurering van de rechterlijke macht, worden voorgesteld. Volgens het OM zijn met name de voorstellen die raken aan de positie en inrichting van het Openbaar Ministerie, juridisch, constitutioneel en institutioneel onvoldoende onderbouwd.
In het eerste initiatiefvoorstel wordt voorgesteld artikel 133 van de Grondwet te wijzigen, waarbij onder meer een College van Procureurs-Generaal wordt geïntroduceerd als onderdeel van de rechterlijke Macht. Het OM plaatst hierbij fundamentele kanttekeningen en wijst op de historische ontwikkeling en constitutionele verankering van het Surinaamse Openbaar Ministerie. Anders dan in Nederland, is in Suriname bewust gekozen voor één procureur-generaal die voor het leven wordt benoemd, niet ondergeschikt is aan een minister en het vervolgingsmonopolie uitoefent. Deze positie geldt volgens het OM als een hoeksteen van de onafhankelijke strafrechtspleging.
Het OM benadrukt, dat het Surinaamse Openbaar Ministerie historisch is voortgekomen uit het koloniale rechtssysteem, maar zich na de onafhankelijkheid heeft ontwikkeld tot een zelfstandig nationaal instituut binnen de rechtsstaat.
De huidige structuur, met één parket en een duidelijke hiërarchische organisatie onder leiding van één procureur-generaal, sluit volgens het OM aan bij de schaal, bevolkingsomvang en bestuurlijke context van Suriname. Het Nederlandse model, waarin een College van Procureurs-Generaal functioneert binnen een omvangrijk en complex justitieel apparaat, kan volgens het OM, niet zonder meer worden overgenomen.
Daarnaast stelt het OM dat in de memorie van toelichting onvoldoende wordt gemotiveerd, welk concreet probleem met de instelling van een College van Procureurs-Generaal wordt opgelost. Ook wordt betwijfeld of een dergelijke structuur zou bijdragen aan het verkorten van de duur van strafzaken. Volgens het OM ligt de oorzaak van lange doorlooptijden vooral bij capaciteitsproblemen, een gebrek aan specialistische deskundigheid en tekortkomingen bij de politie, en niet bij de organisatie van het Openbaar Ministerie. Na de behandeling van een zaak ter terechtzitting heeft het OM bovendien geen invloed meer op de duur van de procedure.
Ten aanzien van het tweede initiatiefvoorstel, waarin wordt voorgesteld de pensioenleeftijd van de procureur-generaal vast te stellen op 65 jaar, stelt het OM dat deze wijziging niet strookt met de constitutionele positie van de functie. De procureur-generaal maakt deel uit van het Hof van Justitie en is, net als de president en de leden van het Hof, voor het leven benoemd. Nu voor deze functies een pensioenleeftijd van 70 jaar geldt, acht het OM het logisch en gerechtvaardigd dat dezelfde leeftijd ook voor de procureur-generaal wordt gehanteerd. Alleen indien de pensioenleeftijd van het Hof zelf zou worden verlaagd, zou een gelijke verlaging voor de procureur-generaal verdedigbaar zijn.
Over het derde initiatiefvoorstel, waarin een termijn van dertig dagen wordt gesteld voor het Hof van Justitie om advies uit te brengen zoals bedoeld in de grondwet, heeft het Openbaar Ministerie geen bezwaar.
Het OM benadrukt tot slot, dat zijn reactie niet is ingegeven door de huidige personele bezetting, maar is gebaseerd op een principiële staats- en bestuursrechtelijke afweging, met het oog op de duurzaamheid van de rechtsorde. Het Openbaar Ministerie zegt voorstander te zijn van een snelle en effectieve strafrechtspleging, maar stelt dat institutionele versterking ook binnen de bestaande structuur mogelijk is, zoals voorzien in de concept-Wet Openbaar Ministerie. Volgens het OM biedt die wet voldoende ruimte voor uitbreiding en versterking, zonder afbreuk te doen aan de constitutionele balans.


