De aanhoudende aanwezigheid van illegale Guyanese vissers in onze wateren vormt volgens de Suriname Seafood Association (SSA), een directe bedreiging voor de duurzaamheid van Surinames visbestanden. Voorzitter Udo Karg spreekt van een situatie, die de uitvoering van het Nationaal Visserij Management Plan, praktisch ondermijnt.
Hoewel het al jaren voortduurt, is de status quo volgens Karg onveranderd gebleven. “De aanwezigheid van illegale vissers uit Guyana, is een steeds grotere bedreiging voor de visserij als onuitputtelijke natuur-lijke hulpbron, omdat het de controle op de naleving van het Visserij Management Plan bemoeilijkt”, stelt hij.
Van een recente toename of afname van de activiteiten, heeft de SSA geen meldingen ontvangen, maar dat betekent volgens hem geenszins, dat het probleem is opgelost.
Waar het volgens de organisatie vooral misgaat, is de respectering en uitvoering van de wet. Het wettelijke kader is er, maar de overheid kan het op zee nauwelijks af-dwingen.
“Gebrek aan middelen maakt totale handhaving niet mogelijk, in het bijzonder als het gaat om de controle op zee”, aldus Karg. De kustwacht speelt hierin een cruciale rol, maar de huidige inzet noemt hij “minimaal”. Zonder versterking van de maritieme capaciteit, blijft optreden tegen illegale vissers volgens hem een illusie.
Karg ergert zich aan wat hij noemt “onjuiste beeldvorming” over het vergunningenbeleid. Volgens hem bestaat er géén discussie binnen de sector over het verstrekken van vergunningen aan Guyanese vissers — het is simpelweg juridisch, niet toegestaan.
“De discussie wordt gevoerd door anderen, die waarschijnlijk te weinig kennis hebben van de sector en het juridisch kader ervan.”
Het probleem zit volgens hem niet in de wet, maar in het gebrek aan gespecialiseerde kennis bij politici, die zich uitla-ten over de visserijsector.
Hoewel Suriname in het verleden het risico liep een zogeheten ‘gele kaart’ te krijgen van de Europese Unie — een waar-schuwing aan landen die onvoldoende optreden tegen illegale visserij — acht Karg die kans op dit moment klein. Toch ziet hij een nieuw gevaar: “De handelingen vanuit de Agro Commissie van DNA, door een platform te bieden aan de criminelen die ons in deze situatie hebben gebracht, baren ons ernstige zorgen.”
Een rode kaart noemt hij “nooit aan de orde geweest”, maar mocht het zover komen, dan zou dat volgens hem, leiden tot de totale instorting van de sector, met wereldwijde gevolgen voor de export.
De visserij heeft daarnaast te maken met stijgende kosten door hogere brandstofprijzen en dure importcomponenten. Dat vraagt om voorzichtig ondernemerschap: “Sectoren die op internationale markten opereren, moeten alert zijn op interne maatregelen die een nadelig effect hebben op de kostprijs.”
Volgens Karg is dat geen Surinaams probleem, maar een realiteit waar elke exportsector, mee moet leren leven.
De SSA heeft wél duidelijke prioriteiten. Volgens Karg kan de sector alleen overleven als de regering onmiddellijk maat-regelen treft.
Er zijn drie belangrijke maatregelen aangekondigd om de visserijsector in Suriname te versterken. Het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij (LVV) zal voortaan worden bemenst door vakdeskundigen, zodat politieke bemoeienis tot het verleden behoort.
Daarnaast zullen de vergunningsgelden die vissers betalen, terugvloeien naar de sector. Deze middelen zullen onder meer worden ingezet voor onderzoek en het verbeteren van de veiligheid op zee.
Het derde speerpunt is de versterking van het uitvoeringskader. Daarbij gaat het om een betere ondersteuning van de kustwacht en de visserijdienst, zodat toezicht en handhaving op duurzame wijze kunnen plaatsvinden.
Met deze maatregelen wordt beoogd, de sector toekomstbestendig te maken en de belangen van vissers en de samenleving beter te waarborgen.
Van wantrouwen bij vissers merkt Karg niets, maar “wel wat ongeduld”.
Karg eindigt optimistisch: ‘’Als Suriname de illegale activiteiten beteugelt en de sector professioneel ondersteunt, zie ik de toekomst rooskleurig in. De visserij kan uitgroeien tot één van de belangrijkste pijlers van onze economie, samen met de overige agrarische sectoren, zeker voor de periode ná de oliehype.”


