Suriname heeft formeel bezwaar aangetekend tegen de plannen van Guyana om infrastructurele ontwikkelingen te realiseren in het betwiste Tigri-gebied. Volgens minister Albert Ramdin van Buitenlandse Zaken, International Business en Internationale Samenwerking, zijn de voorgenomen bouwactiviteiten, waaronder het aanleggen van een gerelateerde landingsbaan en de bouw van een school, een schending van de afspraken die in 1970 in Chaguaramas zijn gemaakt. “Dit soort acties zet de diplomatieke relatie tussen onze landen onder druk en ondermijnen de zoektocht naar een vreedzame oplossing”, aldus Ramdin.
Op 29 november 2024 riep minister Ramdin de Guyanese ambassadeur, Virjanand Depoo op het matje, om te protesteren tegen de plannen van de Guyanese regering om een landingsbaan en een school te bouwen in het betwiste Tigri-gebied (ook bekend als de New River Triangle).
“Deze ontwikkelingen hebben geleid tot verhoogde diplomatieke spanningen tussen de twee buurlanden. Echter, er is geen recente aankondiging geweest van de Guyanese regering over plannen voor een landingsbaan of school in het betwiste gebied”, benadrukte minister Ramdin tijdens een recente persconferentie. Hij riep op om officiële communicatiekanalen van het ministerie van Buitenlandse Zaken en gerenommeerde nieuwsbronnen te raadplegen, voor meer duidelijkheid over de situatie.
Ramdin ging ook in op de bredere geopolitieke context van de grenskwesties. Hij wees op de spanningen tussen Venezuela en Guyana, die volgens hem mogelijke effecten kunnen hebben op Suriname. Over de zuidwestgrens merkte Ramdin op, dat op 21 augustus 2012, er afspraken waren gemaakt tussen de ministers van Buitenlandse Zaken van Suriname en Guyana om de grenskwestie gezamenlijk aan te pakken.
Tijdens die besprekingen kwamen de toenmalige presidenten, Desi Bouterse van Suriname en Donald Ramotar van Guyana overeen, een proces op te zetten dat gebaseerd zou moeten zijn op wederzijds overleg. Hierbij zou Suriname geen eenzijdige acties ondernemen. Een gezamenlijk traject werd uitgezet om de Zuidwestgrens te beoordelen, met als doel aanbevelingen te doen aan de ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen.
De eerste stappen binnen dit traject omvatten het verzamelen, uitwisselen en vergelijken van historische documenten tussen de twee landen. Dit moest een transparant proces waarborgen, waarbij beide landen toegang hadden tot dezelfde informatie en op basis daarvan een gelijkwaardige basis van overleg konden voeren.
Ramdin vertelde dat er rapporten zijn opgesteld en dat de volgende stap is genomen. “We hebben eind vorig jaar de definitieve rapporten aan beide kanten ontvangen. Het is een gedetailleerd proces, waarin vastgelegde gemeenschappelijke gegevens, zeer nauwkeurig juridisch en historisch behandeld moeten worden. Daarom duurt het zo lang”, aldus Ramdin. Hij vermeldde dat de volgende stap zou zijn dat de commissies van Suriname en Guyana samenkomen, om een rapport met aanbevelingen voor de zuidwestgrens op te stellen. “Dit proces loopt al maanden en we hopen dat de gesprekken over de zuidwestgrens binnenkort kunnen plaatsvinden”, voegde Ramdin eraan toe.
Hij zei verder dat de twee presidenten, samen met hem en zijn Guyanese collega, betrokken zijn bij dit traject, dat geen onderdeel is van een ICJ-zaak. Het Internationaal Gerechtshof behandelt uitsluitend juridische geschillen tussen staten, en geeft adviezen op verzoek van de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad. Internationale organisaties die aan de VN gelieerd zijn, kunnen ook juridisch advies aanvragen binnen hun werkgebied. “Wij vervolgen dit traject dat voor ons legitiem is”, aldus Ramdin.
Volgens hem is in 2007 ook met Guyana gesproken over de westelijke zeegrens, een kwestie die inmiddels is opgelost. Ramdin wilde niet ingaan op de discussie rondom de oostgrens (dat betreft de Marowijne- en Lawarivier).