De medeoprichter van de Vereniging van Economisten in Suriname (VES), Roy Somaroo, stelde onlangs, dat jarenlang de ontwikkelingshulp en de bauxietsector de belangrijkste en solide generatoren van de Surinaamse economie waren. “Toen deze twee vitale bronnen van inkomsten na het jaar 2000 ophielden te bestaan, ving de overheid het financieringstekort op met de inkomsten uit de toen fors gestegen prijs van olie en goud. De stijging was maar van tijdelijke aard, omdat die samenhing met de kredietcrisis die in 2008 begon en tot 2011 heeft geduurd. Nadat de banken die bij de kredietcrises in de VS en West-Europa waren betrokken door de eigen overheid financieel werden gesteund, zakten de olie- en goudprijs terug naar het normale niveau. Als gevolg van deze ontwikkeling ontstonden er substantiële financieringstekorten in de begroting van de overheid”, aldus Somaroo.
Gapende negatieve kloof
Volgens hem werden deze financieringstekorten verder vergroot door de sterke opvoering van de uitgaven in de sociale sfeer in aanloop naar de verkiezingen van 2015. “Het ging onder meer om de verhoging van de AOV, de kinderbijslag, de invoering van het nationaal pensioenstelsel en de uitbreiding van de voorzieningen van het Staats-ziekenfonds. In plaats van een versoberingsbeleid te voeren, heeft de overheid getracht de gapende negatieve kloof tussen de inkomsten en uitgaven te verkleinen langs een politiek makkelijke weg”, legde Somaroo uit. Hij benadrukte dat de toenmalige regering besloot lokaal en in het buitenland leningen te sluiten waarvan het totaal opgenomen bedrag in juni 2022 omgerekend ca. USD 3,3 miljard bedroeg. “Dat is ca. 116 procent van het bruto binnenlands product, bbp. De internationaal gehanteerde norm voor de schuldenlast van een land is 60 procent van het bbp.
De omvang van dit bedrag met de oplopende rentekosten ligt ver boven de terugbetalingscapaciteit van ons land, dat bovendien nog steeds te kampen heeft met begrotingstekorten. De schuld komt neer op een bedrag van USD 5.500 per hoofd van de bevolking. De huidige regering – in feite het gehele Surinaamse volk – zit nu opgescheept met een groot terugbetalingsprobleem, waarvoor een oplossing nog ver weg ligt en een belangrijke oorzaak is van de toenemende armoede in het land”, zegt Somaroo.
Productiebedrijven
In de jaren zestig en zeventig, was Suriname voortvarend bezig met de opzet van productiebedrijven om de afhankelijkheid van de bauxietsector te verkleinen. Een ontwikkeling die na de militaire omwenteling vrijwel tot stilstand kwam. “Ik noem slechts een paar overheids- en particuliere bedrijven uit die tijd: het rijstbedrijf Stichting Machinale Landbouw te Wageningen, de Bruynzeel Hout Maatschappij, de kartonnendozenfabriek St. Regis, de fabriek van Nestlé voor de productie van bouillonblokjes, het bacovenbedrijf Surland en de Scheepvaart Maatschappij Suriname. Ook waren er tientallen kleine en middelgrote productiebedrijven die in de industrieweg Noord en Zuid en in fabriekshallen aan de Duisburglaan waren gevestigd.
Deze bedrijven met een paar duizend werknemers zijn na de jaren tachtig, op en-kele na, allemaal verdwenen. Tot de jaren ‘2000 waren alle kruidenierswinkels in handen van Surinamers die al generaties lang in het land wonen.
Ook waren alle houtzaagmolens en bouwmarkten in het bezit van Surinamers. Die zijn nu vrijwel allemaal overgenomen door mensen uit Azië en gefinancierd door de eigen overheid.”

